Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-02
ECLI:NL:RBDHA:2023:7914
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
966 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.14378
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J. Oosterhof),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).
Procesverloop
Bij besluit van 11 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht afgedaan.
Overwegingen
1. De rechtbank ziet zich (ambtshalve) voor de vraag gesteld of eiser belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. In dat kader overweegt de rechtbank als volgt.
2. Eiser heeft op 7 maart 2023 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Daartegen heeft eiser beroep ingesteld.
3. Bij brief van 22 mei 2023 heeft verweerder de rechtbank bericht dat eiser op 17 mei 2023 zelfstandig zijn woonruimte heeft verlaten en met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft bij bericht van 25 mei 2023 bevestigd dat eiser MOB is gemeld en dat hij op dit moment geen contact meer met hem heeft. Tevens heeft hij de rechtbank verzocht de zaak op de stukken af te doen.
4. Volgens de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dient, in het geval dat een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, in beginsel ervan uit te worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als de vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
5. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van het door hem tegen het bestreden besluit ingediende beroep. Om deze reden heeft eiser geen rechtens te beschermen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Onder andere de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.