Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-05-08
ECLI:NL:RBDHA:2023:6850
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,747 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.12561
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 25 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 mei 2023 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen C.M. Leung. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Chinese nationaliteit te hebben.
Staandehouding
2. Eiser voert aan dat sprake was van onrechtmatige staandehouding en ophouding. Eiser is ‘verkapt’ vreemdelingrechtelijk aangehouden. Het is namelijk onduidelijk met welk doel eiser om zijn identiteitsbewijs is gevraagd. Omdat dit niet duidelijk is moet ervan uit worden gegaan dat dit is gebeurd op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw. Dit kan echter alleen als sprake is van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf en daar was in het geval van eiser geen sprake van.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser is aangehouden op grond van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat twee verbalisanten op 25 april 2023 om 3:51 uur een melding ontvingen over een man die in zwarte kleding over de rijbaan zou lopen. Om 3:56 uur hielden de verbalisanten de bewuste man staande, waarbij zij inzage in zijn identiteitsbewijs hebben gevorderd. De aangetroffen man bleek eiser te zijn en hij verklaarde hierop dat hij geen document bij zich had.
4. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het bovenstaande dat eisers identiteitsbewijs is gevorderd ter uitvoering van de algemene politietaken en niet in het kader van het vreemdelingenrecht. Daarmee is ook sprake van een strafrechtelijke aanhouding. Volgens vaste jurisprudentie is het niet aan de rechter in vreemdelingzaken om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheden. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Maatregel van bewaring
5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
6. Eiser heeft de zware en lichte gronden niet betwist. Naar het oordeel zijn de gronden feitelijk juist en kunnen deze de maatregel dragen.
Voortvarend handelen
7. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Eiser is op 25 april 2023 in bewaring gesteld en pas op 1 mei 2023 heeft verweerder een vertrekgesprek gehouden. Daarbij komt dat verweerder in het bezit was van een kopie van een paspoort van eiser. Eiser wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2019.
8. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling blijkt dat de vraag of verweerder voldoende voortvarend handelt, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de aanbiedingsbrief van verweerder van 2 mei 2023 blijkt dat op 1 mei 2023 een vertrekgesprek met eiser is gevoerd, op 2 mei 2023 Directie Internationale Aangelegenheden heeft bericht dat de nationaliteit van eiser reeds is vastgesteld en is de Chinese autoriteiten verzocht om een LP af te geven. Verder is op 3 mei 2023 een gesprek gepland met het IOM. Tegen deze achtergrond bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder tot op heden onvoldoende voortvarendheid heeft betracht. Het beroep op de uitspraak van 6 juni 2019 slaagt niet nu in die uitspraak, anders dan in de zaak van eiser, een geplande bewaring aan de orde was.
Ambtshalve toets
9. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 28 september 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB5258.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
ECLI:NL:RVS:2019:1855.
Onder meer de uitspraak van 23 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC4384.