Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-05-04
ECLI:NL:RBDHA:2023:6701
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,741 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.26837
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Simicevic),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).
Procesverloop
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft gereageerd op het verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Gambiaanse nationaliteit te hebben.
2. Op 3 juni 2021 heeft eiser een asielaanvraag gedaan. Eiser heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij per ongeluk een brand heeft veroorzaakt, waarbij het huis van de buren en een regeringsauto zijn verbrand. Eiser is bedreigd door de buren en vreest bij terugkeer door hen te worden mishandeld of gedood. Ook vreest hij voor de regering. Hij heeft een aanhoudingsbevel ontvangen en hij is bang voor een gevangenisstraf vanwege de brand.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Eisers verklaringen over zijn naam, nationaliteit en herkomst worden geloofwaardig geacht, maar zijn verklaringen over zijn geboortedatum niet. Ook eisers verklaringen over de brand en de daaruit gevolgde problemen worden ongeloofwaardig geacht.
Eisers geboortedatum
4. In het bestreden besluit heeft verweerder over de ongeloofwaardig geachte geboortedatum als volgt overwogen. De door eiser gestelde geboortedatum is niet middels (identificerende) documenten onderbouwd, terwijl hij wel in het bezit stelt te zijn geweest van verschillende documenten. Verder is niet gebleken dat eiser enige poging heeft ondernomen om alsnog aan deze documenten te komen, ondanks dat hij al langere tijd in Europa verblijft. Ook is eiser in Duitsland bekend onder meerdere aliassen. Daarbij komt dat de eerste registratie van eiser in Eurodac dateert van 23 februari 2015. Eiser zou op dat moment met de gestelde geboortedatum 7 juni 2002 twaalf jaar oud zou zijn geweest, terwijl vingerafdrukken worden afgenomen vanaf veertienjarige leeftijd. Eiser heeft daarnaast meerdere contactmomenten gehad met verweerder of zijn gemachtigde, waarbij hij in de gelegenheid is geweest om zijn geboortedatum juist aan te geven.
5. Eiser voert aan dat verweerder niet inhoudelijk ingaat op de omstandigheid dat eiser moeite heeft met data. Daarbij wijst eiser op zijn verklaring tijdens het nader gehoor dat hij onder behandeling staat bij een arts en slaapmedicijnen gebruikt. Verweerder had verder uit moeten zoeken of eiser is opgeroepen voor een tweede Medifirst onderzoek en of hij daar daadwerkelijk is geweest. Daarnaast stelt eiser dat hij nog altijd in afwachting is van de originele geboorteakte en dat verweerder een nadere termijn had kunnen en moeten geven om dit document te overleggen.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser de door hem gestelde geboortedatum niet met documenten heeft aangetoond, terwijl hij wel in het bezit stelt te zijn geweest van (identificerende) documenten. Verweerder heeft zich in het verweerschrift verder op het standpunt kunnen stellen dat in het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd dat de bij zienswijze overgelegde slecht leesbare kopie van een geboorteakte niet tot een ander oordeel leidt. Verweerder was met het oog op de samenwerkingsverplichting ook niet gehouden om (langer) te wachten op de aangekondigde originele geboorteakte. Eiser heeft immers niet geconcretiseerd waarom hij die tot op heden niet heeft kunnen overleggen, terwijl uit zijn verklaringen blijkt dat hij contact heeft met zijn familie in het land van herkomst. Daarbij komt dat ook in beroep niet is gebleken dat eiser thans wel in het bezit is van de originele geboorteakte. Daarnaast heeft verweerder het opmerkelijk kunnen achten dat eiser zijn geboortedatum niet eerder heeft gecorrigeerd dan in het nader gehoor.
De enkele stelling dat eiser moeite zou hebben met data leidt niet tot een andere conclusie. Verweerder wijst er in zijn verweerschrift terecht op dat deze stelling niet is onderbouwd met stukken en dat eiser tweemaal niet is verschenen bij een afspraak met Medifirst. In beroep heeft verweerder twee rapportages van Medifirst overgelegd waaruit dit blijkt. Niet is gebleken van aanknopingspunten voor het vermoeden dat eiser de uitnodigingen voor het medisch onderzoek geen van beide keren zou hebben ontvangen.
Documenten ter onderbouwing van het asielmotief
7. Uit een verklaring van onderzoek van Bureau Documenten (hierna: BD) van 15 september 2022 blijkt dat het overgelegde aanhoudingsbevel niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven. Het TOELT heeft bij vergewisbrief van 21 september 2022 vastgesteld dat dit onderzoek inhoudelijk inzichtelijk is.
Uit een verklaring van onderzoek van BD van 16 december 2022 blijkt dat de Bench Warrant niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven, waardoor niet kan worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is. Gelijktijdig met het verweerschrift heeft verweerder een verklaring van onderzoek overgelegd van 10 februari 2023, waaruit volgt dat de Bench Warrant met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven. Hiermee is de eerdere verklaring van 16 december 2022 komen te vervallen. Verweerder heeft tevens een vergewisbrief overgelegd waaruit volgt dat de verklaring van onderzoek van 10 februari 2023 inhoudelijk inzichtelijk is.
8. Eiser voert aan dat de vergewisbrief van TOELT over de verklaring van het onderzoek van BD van 15 september 2022 ontoereikend is. Het rapport is onduidelijk en bijzonder summier. Verweerder had nadere vragen moeten stellen. Verder stelt eiser dat hij niet de mogelijkheid heeft gekregen om inhoudelijk te reageren op het onderzoeksresultaat van 16 december 2022 over de Bench Warrant.
In reactie op de overgelegde verklaring van onderzoek en vergewisbrief van 10 februari 2023 heeft eiser aangevoerd aan dat deze te kort voor de zitting zijn geüpload in het digitale dossier. Hij stelt dat hierdoor het verrichten van een contra-expertise of ander onderzoek niet meer mogelijk is. Het toelaten van de overgelegde stukken is volgens hem in strijd is met de goede procesorde. Eiser stelt verder dat uit de verklaring van onderzoek niet blijkt waar de conclusie over het document op is gebaseerd en welke positieve of negatieve elementen daarbij een rol hebben gespeeld. Eiser kan zich hiertegen niet verweren bij een eventuele contra-expertise.
9. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat hij de verklaring van BD van 15 september 2022 als deskundigenoordeel aan zijn besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. Met de brief van 21 september 2022 heeft verweerder zich vergewist van de juistheid en inzichtelijkheid van de conclusies van BD over dit document. De rechtbank volgt daarom ook niet dat verweerder hier nadere vragen over had moeten stellen. De vergewisplicht houdt geen verplichting in om te vermelden welke medewerker navraag heeft gedaan bij BD en welke vragen daarbij aan BD zijn gesteld. Ook hoeft verweerder niet tot in detail inzichtelijk te maken hoe BD tot zijn conclusie is gekomen.
10. Eiser stelt echter terecht dat verweerder de juistheid en inzichtelijkheid van het onderzoek naar de Bench Warrant ten onrechte pas in beroep heeft onderzocht. Bovendien kon de verklaring van onderzoek van 16 december 2022, gezien de gewijzigde verklaring van 10 februari 2023 niet aan het bestreden besluit ten grondslag worden gelegd. Het bestreden besluit is in zoverre dan ook tot stand gekomen op een wijze die niet in overeenstemming is met de zorgvuldigheidseisen die volgen uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit neemt niet weg dat de in beroep door verweerder overgelegde nieuwe onderzoeksverklaring en vergewisbrief als nieuwe feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de rechtbank kunnen en moeten worden betrokken.
Anders dan eiser stelt, bestaat ook in beroep de gelegenheid om een contra-expertise te vragen of om anderszins kanttekeningen te plaatsen bij de juistheid en inzichtelijkheid van de conclusie van BD. De rechtbank ziet dan ook aanleiding het gebrek in de besluitvorming met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.
11. In wat eiser in beroep heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid, volledigheid of wijze van totstandkoming van de verklaring van onderzoek van 10 februari 2023.
Conclusie
17. Het beroep is ongegrond.
18. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837, bij een wegingsfactor 1). Toegekend wordt € 837.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 837.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde
publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Zoals bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Artikel 14 van de Verordening (EU) Nr. 603/2013.
Pagina 2 van het verslag nader gehoor.
Pagina 4 van het verslag gehoor aanmeldfase van 20 juni 2021 en pagina 7 van het verslag gehoor aanmeldfase van 5 juli 2022.
Zie bijvoorbeeld pagina 12 van het verslag nader gehoor.
Zie pagina 5 van het verslag nader gehoor.
Rapportages van 11 juli 2022 en 18 augustus 2022.
Team Onderzoek en Expertise Land en Taal.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 22 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2765 en van 8 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:15.
Algemene wet bestuursrecht.