Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-01-20
ECLI:NL:RBDHA:2023:647
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,502 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.8465
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser, V-nummer [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Grigorjan),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Op 12 mei 2022 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op zijn asielaanvraag van 15 oktober 2021.
Bij besluit van 1 juli 2022 (het besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser ingewilligd en aan hem een verblijfsvergunning asiel verleend.
Op 4 juli 2022 heeft eiser gereageerd op het besluit en het beroep gehandhaafd.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is.
Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op zijn aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag (de ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.
3. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn op 15 april 2022 is verstreken en dat eiser verweerder bij brief van 25 april 2022, ontvangen door verweerder op 29 april 2022, heeft medegedeeld dat verweerder in gebreke is tijdig een besluit te nemen. Vervolgens heeft eiser op 12 mei 2022 beroep ingesteld. Op die dag was de termijn van twee weken als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb echter nog niet verstreken. Het beroep van eiser is daarom prematuur ingediend. Dit betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is.
4. Bovendien heeft verweerder bij het besluit alsnog op de aanvraag van eiser beslist. Volgens vaste rechtspraak heeft eiser ook hierom geen belang meer bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
5. De rechtbank verklaart het beroep voor zover dat gericht is tegen het niet tijdig beslissen daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Aangezien eiser prematuur beroep heeft ingesteld, bestaat er geen aanleiding verweerder in de proceskosten van eiser te veroordelen.
Het beroep gericht tegen het alsnog genomen besluit
6. Tenzij geheel aan het beroep tegemoetgekomen wordt, heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit. Dit geldt, volgens vaste rechtspraak, ook in het geval het beroep niet tijdig beslissen prematuur is ingesteld. De rechtbank overweegt dat verweerder niet volledig aan het beroep van eiser tegemoet is gekomen. Eiser is het er namelijk niet mee eens dat verweerder aan hem geen bestuurlijke dwangsom heeft uitgekeerd. Het beroep richt zich daarom mede tegen het besluit.
7. In het besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij, gelet op de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (de Tijdelijke wet), geen dwangsom verschuldigd is.
8. De rechtbank overweegt dat in de Tijdelijke wet, zoals deze geldt vanaf 11 juli 2021, is neergelegd dat de artikelen 4:17 tot en met 4:19 van de Awb niet van toepassing zijn op besluiten op aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 30 november 2022 heeft de hoogste bestuursrechter geoordeeld dat de Tijdelijke wet, voor zover daarin is uitgesloten dat verweerder een dwangsom verbeurt indien hij na een ingebrekestelling niet tijdig een besluit neemt op een asielaanvraag niet in strijd is met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel, het Unierechtelijke beginsel van effectieve rechtsbescherming en het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel. Dit betekent dat verweerder in het besluit terecht heeft vastgesteld dat hij geen bestuurlijke dwangsom aan eiser heeft verbeurd.
9. De rechtbank verklaart het beroep voor zover het gericht is tegen het alsnog genomen besluit kennelijk ongegrond.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover het gericht is tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover het gericht is tegen het besluit van 1 juli 2022 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C. de Grauw, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Een aanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000.
Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie de artikelen 6:2, aanhef en onder b, van de Awb en 6:12, eerste en tweede lid, van de Awb.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3348).
Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
Uitspraken van de Afdeling van 1 mei 2002 (ECLI:NL:RVS:2002:AE2039) en 9 februari 2005 (ECLI:NL:RVS:2005:AS5476).
Artikel 1 van de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Stb. 2020, 242).
Uitspraak van de Afdeling van 30 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3352).