Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-04-26
ECLI:NL:RBDHA:2023:6102
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,168 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/4912
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 april 2023 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
(gemachtigde: D.M.C. Zijlstra-Cuiper).
Procesverloop
Bij besluit van 28 april 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder het maandbedrag dat eiseres in 2022 terug moet betalen vastgesteld.
Bij besluit van 26 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting was op 29 maart 2023 middels een videoverbinding. Eiseres was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
Wat heeft verweerder besloten?
1. Verweerder heeft het bedrag dat eiseres in 2022 per maand terug moet betalen voor de aflossing van haar studieschuld vastgesteld op €690,37.
Wat vindt eiseres in beroep?
2. Eiseres kan zich niet verenigen met de hoogte van het maandbedrag. Verweerder heeft bij de draagkrachtmeting ten onrechte geen rekening gehouden met de hoge kosten die zij moet maken vanwege de ziekte van haar dochter en het feit dat haar partner uit zijn inkomen ook alimentatie moet betalen. Daarnaast houdt verweerder de partner van eiseres ten onrechte verantwoordelijk voor een schuld die zij tijdens haar studententijd heeft opgebouwd. Eiseres wil graag dat de inkomenssituatie van haar partner buiten beschouwing wordt gelaten.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
3. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat de maatstaf voor de vaststelling van de draagkracht het totaal van het toetsingsinkomen van eiseres en haar partner in het peiljaar is. Dit betekent echter, anders dan eiseres veronderstelt, niet dat de studieschuld van eiseres van haar partner teruggevorderd kan worden. De studieschuld is een persoonlijke schuld die alleen van eiseres teruggevorderd kan worden, maar bij de bepaling van de draagkracht van eiseres heeft verweerder terecht het inkomen van haar partner betrokken. Het betoog van eiseres slaagt niet.
4. De rechtbank volgt verweerder in zijn betoog dat de wetgever uitdrukkelijk heeft gekozen voor een systeem waarbij geen rekening wordt gehouden met het besteedbaar inkomen van eiseres. Dat daardoor geen rekening kan worden gehouden met de uitgaven van eisers is door de wetgever voorzien en levert geen onbedoeld effect op. Daarnaast is de wijze waarop het toetsingsinkomen wordt vastgesteld uitgezonderd van de toepassing van de hardheidsclausule. De rechtbank concludeert dat het voor verweerder niet mogelijk is bij de vaststelling van de draagkracht rekening te houden met de hoge ziektekosten voor de dochter van eiseres en de alimentatieverplichtingen van haar partner. Het betoog van eiseres slaagt niet.
5. Het beroep is ongegrond. Verweerder hoeft de kosten die eiseres heeft gemaakt voor deze procedure niet te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Janmaat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 6.10, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf).
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 januari 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:58).
Artikel 11.5, tweede lid, Wsf.