Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-03-14
ECLI:NL:RBDHA:2023:5209
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,510 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.2825 en NL23.2827
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiseres 1] en [eiseres 2], eiseressen
V-nummers: [v-nummer 1] en [v-nummer 2]
(gemachtigde: mr. L. Sinoo), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. Y. Rikken).
Procesverloop
Bij besluiten van 30 januari 2023 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eiseressen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiseressen hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaken NL23.2826 en NL23.2828, op 7 maart 2023 op zitting behandeld. Eiseressen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Ayash. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Verweerder heeft de bestreden besluiten gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Polen een verzoek om overname gedaan. Polen heeft dit verzoek aanvaard.
2. Eiseressen doen een beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch van 15 juni 20221, waarin vragen zijn gesteld over de ondeelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ze verwijzen daarnaast naar de bijgevoegde brief van 17
1ECLI:NL:RBDHA:2022:5724.
januari 2023 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin wordt opgemerkt dat de behandeling van het hoger beroep zal worden aangehouden in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie op de prejudiciële vragen. Eiseressen merken verder nog op dat [eiseres 2] (de dochter) als gevolg van haar psychische en fysieke klachten dusdanig kwetsbaar is, dat van haar op voorhand kan worden gesteld dat zij niet kan worden overgedragen aan Polen. Ter onderbouwing hiervan is haar medisch dossier overgelegd.
3. De rechtbank overweegt als volgt. Het algemene uitgangspunt is dat verweerder er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit mag gaan dat Polen zijn verdragsverplichtingen ten aanzien van eiser nakomt. Het is aan eiseressen om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eiseressen hier niet in geslaagd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
4. Deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft in de uitspraak van 2 juni 20222 geconcludeerd dat niet aannemelijk is gemaakt, en ook op andere wijze niet is gebleken, dat Polen en daarmee ook de rechterlijke macht zich – afgezien van de pushbacks aan de buitengrenzen – op dit moment niet houdt aan de bepalingen van het EU-asielrecht en de waarborgen die daaruit voortvloeien. Dit is ook geoordeeld in de uitspraak van de meervoudige kamer van diezelfde zittingsplaats van 1 juli 20223. Over de rechterlijke macht in het bijzonder heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat de vreemdeling geen toegang heeft tot de rechter en evenmin dat het voor Poolse rechters onmogelijk of uiterst moeilijk is om in vreemdelingrechtelijke zaken onafhankelijk en/of onpartijdig recht te spreken dan wel dat zij dit niet zouden doen of dat de Poolse tuchtkamer hen nadien maatregelen hebben opgelegd. De rechtbank volgt deze uitspraak en de overwegingen waarop zij berust. Eiseressen hebben geen informatie over de situatie in Polen overgelegd die thans tot een ander oordeel leidt. De rechtbank ziet daarom in de verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 15 juni 2022 en de aangehaalde brief van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, geen aanleiding om deze beroepszaak aan te houden.
5. Ten aanzien van de medische klachten overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder mag, op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ervan uitgaan dat de medische voorzieningen in Polen vergelijkbaar zijn als die in Nederland. Het is aan eiseressen om aannemelijk te maken dat daarvan in hun geval niet mag worden uitgegaan en dat Nederland voor hen het meest aangewezen land is om hun medisch te behandelen. Daarin zijn zij niet geslaagd. Op dit moment staan eiseressen niet onder een specialistische medische behandeling. Daarbij wordt opgemerkt dat op grond van artikel 32 van de Dublinverordening een uitwisseling van hun medische gegevens kan plaatsvinden tussen Nederland en Polen, indien zij daartoe toestemming geven. De beroepsgrond slaagt niet.
6. De beroepen zijn ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
2ECLI:NL:RBDHA:2022:5327.
3 ECLI:NL:RBDHA:2022:6488.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
14 maart 2023
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.