Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-04-05
ECLI:NL:RBDHA:2023:4792
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,198 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.18669
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Turkse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.H. Hekman),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. A. Wildeboer).
Procesverloop
Bij besluit van 8 november 2021 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaar.
Bij besluit van 11 november 2021 heeft verweerder dit inreisverbod opgeheven en tegen hem een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd. Tevens is een nieuw terugkeerbesluit uitgevaardigd.
Eiser heeft op 30 november 2021 beroep ingesteld tegen het besluit van 8 november 2021.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting van 21 december 2022 aangevangen, maar daarop met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht geschorst, om eiser in de gelegenheid te stellen de zitting bij te kunnen wonen.
Op 19 januari 2023 heeft eiser aanvullende stukken ingediend.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 23 januari 2023 hervat. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Inleiding
1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van het navolgende.
1.1.
Eiser is op is op 22 november 2013 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden wegens mensenhandel (overige aantasting persoonlijke integriteit), medeplegen van mishandeling (moord en doodslag) en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Deze feiten zijn gepleegd in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 1 september 2007, 11 mei 2016, in of omstreeks de periode 1 januari 2002 tot en met 30 april 2006 en in of omstreeks de periode van 1 mei 2006 tot en met 1 september 2007. Het arrest is op 18 april 2014 onherroepelijk geworden. Eiser is in cassatie niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 20 maart 2015 vonnis gewezen ter zake van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten bedrage van € 259.125,- met vervangende detentie. Dit arrest is op 22 september 2015 onherroepelijk geworden.
1.3.
Op 31 oktober 2021 heeft de politie-eenheid Oost-Nederland het voorstel gedaan tot ongewenstverklaring of uitvaardiging van een zwaar inreisverbod. Eiser is op 8 november 2021 door die eenheid Oost-Nederland gehoord inzake het opleggen van een terugkeerbesluit en een inreisverbod. Op 8 november 2021 is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaar.
1.4.
Met het besluit van 11 november 2021 heeft verweerder aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd en een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar.
1.5.
Eiser kan zich hierin niet vinden en heeft beroep ingesteld.
Beoordeling
2. De rechtbank stelt vast dat het pro forma beroepschrift van 30 november 2021 is gericht tegen het besluit van 8 november 2021. Uit de gronden en de toelichting van de gemachtigde ter zitting is gebleken dat het beroep abusievelijk is ingesteld tegen het besluit van 8 november 2021 en dat het beroep moet geacht te zijn ingesteld tegen het besluit van 11 november 2021. Verweerder heeft zich hier niet tegen verzet. De rechtbank is daarom met partijen van oordeel dat het onderhavige beroep daarom is gericht tegen het besluit van 11 november 2021. Het besluit van 11 november 2021 wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.
Terugkeerbesluit
3. Verweerder heeft eiser in het terugkeerbesluit opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser geen verblijfsrecht in Nederland of in een ander land in de Europese Unie heeft. Volgens verweerder vormt eiser een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde. Verweerder wijst op het bepaalde in paragraaf A3/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
3.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen gronden heeft gericht tegen het terugkeerbesluit. Het beroep daartegen verklaart de rechtbank daarom niet-ontvankelijk.
Inreisverbod
4. Verweerder heeft met toepassing van artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een zwaar inreisverbod aan eiser opgelegd voor de duur van tien jaar omdat eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Verweerder heeft geen reden gezien de duur van het zware inreisverbod te verkorten, omdat eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd. Verweerder heeft daarom het eerder aan eiser opgelegde inreisverbod van 8 november 2021 opgeheven en op 11 november 2021 vervangen door een zwaar inreisverbod voor de duur van 10 jaren.
4.1.
Eiser voert aan dat hij grote persoonlijke belangen heeft om voor een of meerdere kortere perioden (korter dan 90 dagen) de Europese Unie te kunnen inreizen. Eiser meent dat verweerder onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de door hem aangevoerde bijzondere en individuele omstandigheden als bedoeld in artikel A4/2.3 van de Vc. Eiser heeft lang geleden een misstap gemaakt en zit daarvoor in detentie. Eiser stelt dat hij niet meer de man is die hij toen was en dat er geen recidivegevaar is. Er bestaat volgens eiser geen gevaar voor de openbare orde of openbare veiligheid. Voorts is het opleggen van het inreisverbod voor de duur van 10 jaren volgens eiser in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder miskent dat eisers zoon en ouders die in Duitsland wonen naar Turkije kunnen afreizen, nu het huwelijk van eisers zoon in Duitsland zal plaatsvinden en eisers ouders bijna 80 jaar zijn, ziek zijn en kunnen overlijden.
4.2.
Artikel 6.5a, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) bepaalt dat in afwijking van het eerste tot en met vierde lid van dat artikel, de duur van het inreisverbod ten hoogste tien jaren bedraagt indien het betreft een vreemdeling die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Deze ernstige bedreiging kan blijken uit onder meer een veroordeling naar aanleiding van een geweldsdelict. De rechtbank stelt vast dat verweerder op grond van artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Vb een inreisverbod voor de duur van tien jaar heeft opgelegd, omdat eiser is veroordeeld naar aanleiding van een geweldsdelict.
4.3.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat verweerder bij de beoordeling of sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, alle feitelijke en juridische gegevens moet betrekken die zien op de situatie van een vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 13 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:89, onder 2.1). Verweerder moet het resultaat van dit onderzoek laten blijken uit de motivering van het besluit.
4.4.
Verweerder heeft zich, in tegenstelling tot eisers betoog, naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de oplegging van het zware inreisverbod voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Verweerder heeft daarbij terecht gewezen op het eerdergenoemde arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 november 2013. Dit arrest is op 18 april 2014 onherroepelijk geworden. Eiser is in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Voor wat betreft het tijdsverloop sinds het misdrijf is gepleegd, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht bij de beoordeling betrokken dat eiser zich niet vrijwillig heeft gemeld om de opgelegde straf uit te zitten, maar is vertrokken naar Turkije. Eiser heeft vervolgens wel (hoger) beroep ingediend, maar is niet ter terechtzitting verschenen. Eiser is vervolgens door de Duitse autoriteiten aangehouden op grond van een internationaal arrestatiebevel en uiteindelijk aan Nederland overgeleverd om zijn straf uit te zitten. Daarnaast heeft verweerder terecht gewezen op het gehoor van 8 november 2021 waaruit blijkt dat eiser zich niet schuldig voelt over wat hij heeft gedaan, maar dat het eerder lijkt dat eiser zich het slachtoffer voelt. De stelling van eiser dat hij niet meer de man is die hij toen was, heeft verweerder niet tot een ander oordeel hoeven leiden, nu eiser niet met enig objectief stuk heeft onderbouwd dat sprake zou zijn van een gedragsverandering. Ook de stelling van eiser dat de ‘misstap’ lang geleden heeft plaatsgevonden is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat eiser zijn leven heeft gebeterd. De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat de houding en het normbesef van eiser nu zodanig zijn gewijzigd dat hij de criminaliteit achter zich heeft gelaten. Daar komt bij dat verweerder bij de beoordeling de persoonlijke omstandigheden van eiser voldoende heeft meegewogen in het kader van de evenredigheid. Hierbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser eerder enkel naar Nederland is gekomen voor het plegen van strafbare feiten.
4.5.
Ten aanzien van strijdigheid van het bestreden besluit met artikel 8 van het EVRM is tussen partijen niet in geschil dat het opleggen van een zwaar inreisverbod inmenging oplevert in het recht op familie- of gezinsleven van eiser. Bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 van het EVRM een inmenging in het privéleven en familie- of gezinsleven rechtvaardigt, moeten volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) de “guiding principles” uitdrukkelijk bij de afweging worden betrokken. Bij de afweging van het belang van de Staat tegen het persoonlijke belang van eiser moet niet alleen worden ingegaan op de afzonderlijke beoordelingspunten, maar moeten deze ook in hun onderling samenhang worden bezien. Er moet sprake zijn van een “fair balance” tussen de af te wegen belangen. De rechtbank moet in het licht van het voorgaande beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in deze belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is, moet de rechtbank beoordelen of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een “fair balance” tussen enerzijds het belang van eiser bij uitoefening van zijn privéleven en familie- of gezinsleven en anderzijds het algemene belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid.
Conclusie
5. Gelet op wat hierboven is overwogen, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder terecht aan eiser een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar heeft opgelegd.
6. Het beroep tegen het inreisverbod is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het inreisverbod ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van Z.P. de Wilde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.