Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-03-21
ECLI:NL:RBDHA:2023:3980
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,355 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.7697
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).
Procesverloop
Bij besluit van 13 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 16 maart 2023 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep.
Op 14 maart 2023 en 16 maart 2023 heeft eiser de beroepsgronden ingediend. Op 20 maart 2023 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Op 21 maart 2023 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Eiser meent dat hij op onjuiste grondslag in bewaring is gesteld. Verweerder heeft de maatregel van bewaring gebaseerd op artikel 59b van de Vw, nadat eiser op 13 maart 2023 een asielaanvraag had ingediend en daardoor rechtmatig verblijf kreeg in Nederland. Eiser stelt dat er aanwijzingen waren dat de Dublinverordening op hem van toepassing was, wat verweerder ertoe had moeten bewegen aan hem een maatregel op grond van artikel 59a van de Vw op te leggen.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser al in het gehoor op 7 maart 2023 heeft verklaard dat hij eerder asiel heeft aangevraagd in Zwitserland en Oostenrijk. Daarnaast blijkt uit de stukken in het dossier dat verweerder op 8 maart 2023 onderzoek in Eurodac heeft gedaan. Daaruit blijkt dat eiser eerder asiel heeft aangevraagd in Oostenrijk en Zwitserland. Eiser stelt dan ook terecht dat er concrete aanknopingspunten waren voor verweerder om te veronderstellen dat de Dublinverordening op hem van toepassing was.
5. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft geoordeeld dat, zodra sprake is van concrete aanknopingspunten voor de toepassing van de Dublinverordening, de vrijheidsbenemende maatregel daarop gebaseerd moet zijn. Bovendien heeft de Afdeling geoordeeld dat het bij samenloop van de artikelen 59a en 59b van de Vw bepalend is of de Dublinverordening van toepassing is. Verweerder was daarom niet bevoegd om op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw aan eiser de maatregel van bewaring op te leggen.
6. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. Wat eiser voor het overige aanvoert, behoeft dan ook geen verdere bespreking.
7. De rechtbank zal eiser een schadevergoeding toekennen voor vier dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 4 x € 100 (verblijf detentiecentrum) = € 400.
8. Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser
tot een bedrag van € 400 (vierhonderd euro), te betalen door de griffier en beveelt de
tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 837
(achthonderdzevenendertig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Verordening (EU) nr. 604/2013
Zie pagina 2 van het proces-verbaal gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring (M110).
Uitspraak van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR2122
Uitspraak van 16 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:919