Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-02-27
ECLI:NL:RBDHA:2023:3470
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,429 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.4129
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).
Procesverloop
Bij besluit van 28 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 februari 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. H. Drenth, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Saaid. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1990.
2. Eiser stelt dat hij op de verkeerde grond is opgehouden. Volgens het proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 28 januari 2023 is eiser opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw. De identiteit van eiser was bekend en er lag een Dublinclaim,
dus had hij op grond van artikel 50a Vw moeten worden opgehouden. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat inderdaad een foutieve grondslag voor de ophouding is vermeld en dat dit artikel 50, derde lid, van de Vw had moeten zijn.
3. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser op een onjuiste grondslag is opgehouden. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder hiervoor artikel 50, derde lid, van de Vw moeten gebruiken. Daartoe is van belang dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken, waardoor ook zijn rechtmatig verblijf als Dublinclaimant op
grond van artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw is vervallen1. Naar het oordeel van de rechtbank levert dit een gebrek in de ophouding op, maar betekent dit niet zonder meer dat de daaropvolgende maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht. Voornoemd gebrek maakt de maatregel eerst onrechtmatig, indien de hiermee gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank is van oordeel dat het gebrek niet dermate ernstig is dat de bewaring daardoor onrechtmatig is, omdat er wel een (andere) grondslag voor de ophouding voorhanden was, zoals hiervoor is vastgesteld. Eiser is door het gebrek dan ook niet in zijn belangen geschaad. Deze beroepsgrond slaagt niet, maar geeft wel aanleiding tot een veroordeling in de proceskosten.
4. Eiser heeft voorts aangevoerd dat het niet duidelijk is wanneer de overdracht vanuit het strafrechtelijk traject heeft plaatsgevonden; uit de stukken blijkt niet wanneer het strafrechtelijk traject is geëindigd en eiser is heengezonden.
5. De rechtbank stelt voorop dat in deze procedure geen ruimte is voor een oordeel over de aanwending van andere dan uit de Vw voortvloeiende bevoegdheden. Pas wanneer de terzake bevoegde rechter heeft geoordeeld dat deze niet-vreemdelingrechtelijke bevoegdheden onrechtmatig zijn aangewend, kan de rechtbank zich geplaatst zien voor de vraag in hoeverre dit gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de maatregel.
6. Bij de stukken bevindt zich een proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 28 januari 2023, waarin onder meer het volgende is vermeld:
“Op 28 januari 2023 te 10:00 uur, werd de persoon zich noemende (…) overgenomen en
opgehouden, aansluitend op strafrechtelijke heenzending”.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit voldoende dat het strafrechtelijk traject is geëindigd op 28 januari 2023 om 10:00 uur en eiser direct aansluitend is opgehouden op grond van de Vw. Voor zover eiser betoogt dat hij enige tijd zonder titel van zijn vrijheid is benomen, ziet de rechtbank geen aanleiding voor dit oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Eiser voert aan dat voor het opleggen van de maatregel van bewaring onvoldoende gronden aanwezig zijn, omdat eiser wel in het bezit is van een paspoort, dat in Frankrijk ligt en omdat eiser op last van het COA uit de opvang moest vertrekken. Hij verrichtte arbeid en verwierf dus voldoende middelen van bestaan. Dat alles is onvoldoende voor het aannemen van een significant risico op onttrekking aan de overdracht.
8. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
1. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1164).
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
9. Verweerder heeft ter zitting de grond onder 4f niet langer gehandhaafd.
10. Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De reden hiervoor is dat naar het oordeel van de rechtbank uit de stukken blijkt dat de zware gronden feitelijk juist zijn. De enkele stelling dat een paspoort van eiser in Frankrijk ligt, mocht verweerder ten grondslag leggen aan de tegenwerping dat eiser dit paspoort niet bij zich had tijdens zijn inreis in Nederland. Voorts heeft eiser zich eerder, in 2022 aan een feitelijke overdracht onttrokken. In het proces- verbaal van gehoor, voorafgaande aan de inbewaringstelling, is vermeld dat eiser meerdere malen heeft verklaard dat hij niet terug wil naar Zwitserland omdat hij in Nederland een leven en een vrouw heeft, en na een eventueel vertrek weer terugkeert. Op grond hiervan heeft verweerder de zware gronden aan eiser mogen tegenwerpen. Ook de lichte gronden 4c en 4d heeft verweerder aan de maatregel ten grondslag mogen leggen. In een proces-verbaal van bevindingen van 28 januari 2023 is vermeld dat de partner van eiser heeft verklaard dat hij niet bij haar verblijft en zwerft, en in het bestreden besluit is vermeld dat eiser beschikt over € 1,20. Eiser heeft dit niet bestreden, en de stelling dat eiser wel over middelen
beschikt omdat hij zwart zou werken, is niet nader onderbouwd. Verweerder beschikte aldus over voldoende gronden om eiser in bewaring te mogen stellen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
11. Eiser heeft voorts aangevoerd dat in het bestreden besluit geen afweging is gemaakt over de vriendin van eiser. Verweerder heeft geen rekening gehouden met het bepaalde in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). De vriendin van eiser is wel gehoord, maar pas na het gesprek met eiser, waardoor verweerder geen zorgvuldige afweging kon maken. Eiser kon bij zijn vriendin verblijven in afwachting van de overdracht. Verweerder had daarom moeten volstaan met de oplegging van een lichter middel. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanwezigheid van een partner voldoende bij de maatregel is betrokken.
12. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
23 februari 20152 en 10 april 20153 en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 20144.
13.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
27 februari 2023
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.