Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-02-22
ECLI:NL:RBDHA:2023:3279
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,290 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.607
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V nummer]
(gemachtigde: mr. E.G. Grigorjan), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. de Graaf).
Procesverloop
Bij besluit van 6 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL23.608, op 14 februari 2023 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Vingerafdrukken
2. Eiser voert aan dat in Duitsland ten onrechte is geregistreerd dat hij daar een asielverzoek heeft gedaan. Zijn vingerafdrukken zijn onder dwang afgenomen en eiser is hierbij uitgescholden, uitgekleed en geboeid en niet voldoende geïnformeerd. Dat dit verkeerd is geregistreerd en de omstandigheden waaronder dit is gebeurd, duidt volgens
eiser op een systeemfout in Duitsland. Verweerder kan daarom ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan.
3. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het Eurodac-systeem volgt dat eiser op 9 augustus 2022 in Duitsland om internationale bescherming heeft verzocht. Het referentienummer in het Eurodac-systeem begint met "DE1". Een dergelijke registratie, onder categorie 1, is gelet op artikel 24, vierde lid, gelezen in verbinding met artikel 9, eerste lid, van de Verordening (EU) nr. 603/2013 (Eurodacverordening) gereserveerd voor personen die verzoeken om internationale bescherming. Gezien lijst A van bijlage II bij de Uitvoeringsverordening (EU) nr. 118/2014 geldt een dergelijke registratie als bewijs van een verzoek om internationale bescherming, tenzij de vreemdeling tegenbewijs heeft geleverd als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de Dublinverordening..1 Dit tegenbewijs heeft eiser niet geleverd. De enkele verklaring van eiser is hiertoe onvoldoende.
4. De rechtbank overweegt verder dat verweerder heeft mogen wijzen op de registratieplicht die lidstaten hebben op grond van de Eurodacverordening2. Als eiser het niet eens is met de manier waarop zijn vingerafdrukken zijn afgenomen, dan dient hij daarover in Duitsland bij de (hogere) autoriteiten te klagen. Niet is gebleken dat die mogelijkheid er voor eiser niet is, of dat dit bij voorbaat zinloos zou zijn. Verweerder kan ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt met datgene wat naar voren is gebracht dat dat in zijn geval niet kan. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 van de Dublinverordening
5. De rechtbank overweegt verder dat verweerder in de door eiser aangevoerde omstandigheden redelijkerwijs geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. De rechtbank volgt verweerder dan ook dat niet gebleken is van omstandigheden die zodanig zijn dat overdracht in dit geval van onevenredige hardheid zou getuigen. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
1. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), 28 september 2017, (ECLI:NL:RVS:2017:2625).
2 Verordening (EU) nr. 603/2013.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 februari 2023
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.