Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-03-07
ECLI:NL:RBDHA:2023:3076
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,365 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.1862
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. D. de Heuvel),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Brock).
Procesverloop
Bij besluit van 19 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL23.1864, op 1 maart 2023 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te hebben. Op 24 juli 2022 heeft eiser een asielaanvraag ingediend.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 2 juli 2022 illegaal Italië is ingereisd. Verweerder heeft daarom de autoriteiten van Italië verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening. Omdat Italië niet binnen twee maanden heeft gereageerd op dat verzoek staat met ingang van 13 oktober 2022 de verantwoordelijkheid van Italië vast op grond van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe aan dat ten aanzien van Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Er zijn tekortkomingen in de asielprocedure en in het opvangsysteem van Italië. Daarbij wordt verwezen naar de circular letter van de Dublin-Unit Italië van 5 december 2022 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 24 februari 2023. Van belang is hierbij ook dat er slechts sprake is van een fictief claimakkoord. Bij terugkeer is opvang dus niet gegarandeerd. Verweerder heeft ten onrechte geen gebruik gemaakt van artikel 17 van de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Italië in beginsel verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser.
5. Uitgangspunt is dat verweerder ten aanzien van Italië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is ook recentelijk nog door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) bevestigd. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Eiser is hier niet in geslaagd.
6. Uit de circular letter van 5 december 2022 volgt dat er sprake is van een verzoek
tot tijdelijke opschorting van overdrachten op grond van de Dublinverordening. Verweerder
heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat er sprake is van een tijdelijk, feitelijk
overdrachtsbeletsel en dat dit niet tot gevolg heeft dat de vaststelling van de
verantwoordelijkheid van Italië onrechtmatig is. De rechtbank wijst ter vergelijking op de
uitspraken van de Afdeling van 8 april 2020 en 30 oktober 2020 betreffende een circular
letter met betrekking tot het coronavirus, wat eveneens een tijdelijk overdrachtsbeletsel
betrof. Daarnaast verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 31 mei 2022
betreffende de opschorting van overdrachten door de Roemeense autoriteiten. Daarin heeft
de Afdeling geoordeeld dat vanwege de bindende overdrachtstermijnen in artikel 29, eerste
en tweede lid, van de Dublinverordening gewaarborgd is dat onzekerheid over overdracht
van een vreemdeling van beperkte duur is. Hoewel onzeker is hoelang de opschorting van de overdrachten naar Italië zal voortduren, leidt dit niet tot de conclusie dat het bestreden
besluit onrechtmatig is of dat verweerder de asielaanvraag onverplicht in behandeling moet
nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Daarbij is ook van belang dat een fictief akkoord op grond van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening gelijk wordt gesteld met een aanvaarding van het verzoek om eiser over te nemen. Daarmee hebben de Italiaanse autoriteiten toegezegd de internationale verplichtingen jegens eiser na te komen.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening nr. (EU) 604/2013.
ECLI:NL:RBLIM:2023:1471.
ECLI:NL:RVS:2022:49; ECLI:NL:RVS:2022:2497.
ECLI:NL:RVS:2020:1032.
ECLI:NL:RVS:2020:2580.
ECLI:NL:RVS:2022:1520.