Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-03-01
ECLI:NL:RBDHA:2023:2831
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,311 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/6859
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 maart 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. S. van der Eijk),
en
Belastingdienst/Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: mrs. S. Büyükpisirici en W.E. Louwerse).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek tot een herbeoordeling van zijn recht op kinderopvangtoeslag van 4 juni 2020.
Bij brief van 15 april 2022 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld.
Op 24 oktober 2022 heeft eiser beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op de aanvraag, waarbij eiser de rechtbank heeft verzocht de hoogte van de door verweerder verbeurde dwangsom vast te stellen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend op 5 december 2022. Eiser heeft hierop een reactie gegeven op 24 januari 2023.
De rechtbank heeft het beroep op 23 februari 2023 op zitting behandeld. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser heeft op 4 juni 2020 een verzoek om een herbeoordeling van zijn recht op kinderopvangtoeslag gedaan. Bij brief van 3 december 2020 heeft verweerder de beslistermijn verlengd tot 30 juni 2021. Bij brief van 16 juli 2021 heeft verweerder de beslistermijn nogmaals verlengd. Op 15 april 2022 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. Verweerder heeft bij brief van 8 juli 2022 eiser laten weten op 16 maart 2021 al een besluit te hebben genomen.
Wat vinden partijen?
2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op 16 maart 2021 tijdig is beslist op het verzoek tot herbeoordeling, en hij daarom geen dwangsom is verschuldigd. De brief van
16 juli 2021 waarmee de beslistermijn is verlengd, is een administratieve fout geweest. Het beroep is volgens verweerder niet-ontvankelijk.
3. Eiser stelt dat hij het besluit van 16 maart 2021 en de brief van 8 juli 2022, waarin naar het besluit wordt verwezen, niet heeft ontvangen. Hij heeft voor het eerst kennis genomen van het besluit tijdens het lezen van het verweerschrift van 5 december 2022. Daarbij heeft eiser ter zitting aangegeven dat volgens hem verweerder nog steeds niet heeft beslist, omdat het besluit niet ziet op de door hem gedane aanvraag van 4 juni 2020.
Beoordeling
4. Het standpunt van eiser, dat verweerder nog niet heeft beslist omdat het besluit van 16 maart 2021 niet ziet op de door eiser gedane aanvraag van 4 juni 2020, kan de rechtbank niet volgen. In het besluit wordt duidelijk verwezen naar deze aanvraag. De rechtbank stelt dan ook vast dat het belang dat eiser heeft bij het alsnog krijgen van een beslissing op zijn aanvraag, is komen te vervallen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel, dat het beroep van eiser daarom niet ontvankelijk is.
5. Daarnaast is de rechtbank van oordeel, dat het niet relevant is of eiser het besluit van 16 maart 2021 en de brief van 8 juli 2022 destijds wel of niet heeft ontvangen. Eiser is in ieder geval met het verweerschrift van 5 december 2022 op de hoogte geraakt van het besluit. Op zitting is vastgesteld, dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit. De rechtbank constateert dat de termijn om dit alsnog te doen inmiddels ruimschoots is verstreken, en dat deze overschrijding niet verschoonbaar is. Volgens vaste rechtspraak had eiser binnen twee weken nadat hij via het verweerschrift van 5 december 2022, met het besluit van 16 maart 2021 bekend was geworden, bezwaar moeten maken. Dat eiser dit heeft nagelaten kan hem redelijkerwijs worden verweten, en hij heeft daarom geen toegang tot de bestuursrechter. Het beroep is ook hierom niet ontvankelijk.
Conclusie
6. Het beroep is niet ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.D.A. Mantingh, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:786, rechtsoverweging 3.1.
Artikel 6:13 van de Awb.