Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-01-31
ECLI:NL:RBDHA:2023:2573
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,564 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.25183
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. G.J. Dijkman),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. M. Lorier).
Procesverloop
Bij besluit van 8 december 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.25183, op 24 januari 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen E. Estifanos. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen.1 De reden daarvoor is dat volgens verweerder op grond van de Dublinverordening2 Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. In dit geval heeft verweerder een overnameverzoek naar Italië verstuurd. Italië heeft niet op tijd gereageerd op dit verzoek, waardoor er een fictief akkoord is ontstaan. Hiermee is de verantwoordelijkheid van Italië voor de behandeling van het asielverzoek van eiser vast komen te staan.
1. Artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingwet 2000 (Vw).
2 Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.
Standpunt van eiser
2. Eiser stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van Italië niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Italië heeft in de circular letter van 5 december 2022 laten weten geen Dublin-transfers meer te accepteren vanwege het niet beschikbaar zijn van opvangfaciliteiten. Deze nieuwe ontwikkeling heeft ook betrekking op eiser, omdat de weigering om Dublinterugkeerders te accepteren ook betrekking heeft op verzoeken die eerder zijn geaccepteerd. Bovendien moet hieruit worden afgeleid dat de Italiaanse autoriteiten zijn internationale verplichtingen niet langer nakomen. In de brief wordt volmondig erkend dat er sprake is van een tekort aan opvangplaatsen. Ook daarom zijn er aanwijzingen dat Italië zijn internationale verplichtingen niet na kan komen. Het doel van de Dublinverordening is om snel duidelijkheid te geven over waar eiser zijn asielprocedure moet doorlopen. Het belang van eiser is in dit geval ook om zo snel mogelijk duidelijkheid te krijgen. Als overdracht praktisch niet meer geregeld kan worden, omdat er geen zicht is op overdracht binnen de uiterste overdrachtstermijn, dan heeft het belang van eiser de doorslag. Verder moet er altijd rekening worden gehouden met het Unierecht. Dat schrijft voor dat er altijd gekeken moet worden of het besluit nog uit te voeren is. Het besluit is in elk geval in januari niet uit te voeren, volgens eiser is het besluit ook begin februari niet uit te voeren.
Standpunt van verweerder
3. Verweerder is van mening dat er sprake is van een tijdelijk, feitelijk overdrachtsbeletsel. Dit overdrachtsbeletsel maakt de vaststelling van Italië als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig. Dit tijdelijke overdrachtsbeletsel staat er niet aan in de weg dat eiser alsnog kan worden overgedragen aan Italië als het beletsel is opgeheven. Verweerder verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 8 april 2020.3 Dat het op dit moment nog onduidelijk is hoe lang de tijdelijke opschorting van overdrachten exact gaat duren, maakt dit niet anders. Als namelijk op enig moment blijkt dat de overdracht van eiser niet mogelijk is binnen geldende fatale termijnen van de Dublinverordening en daardoor de uiterste overdrachtstermijn wordt overschreden, zullen daar door verweerder de gebruikelijke gevolgen aan worden verbonden. Verder wijst verweerder erop dat hij op 4 januari 2023 bericht heeft gekregen van de Italiaanse autoriteiten met betrekking tot de overdrachten van januari 2023. In dit bericht wordt gevraagd om alle overdrachten opnieuw in te plannen voor de maand februari. Dit geeft volgens verweerder de tijdelijkheid van de situatie weer.
Oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank overweegt als volgt. In de circular letter van 5 december 2022 staat: ‘This is to inform you that due to suddenly appeared technical reasons related to unavailability of reception facilities Member States are requested to temporarily suspend transfers to ltaly from tomorrow, with the exception of cases of family-reunification of unaccompanied mirrors.
Further and more detailed information regarding the duration of the suspension will
3ECLI:NL:RVS:2020:1032.
Follow.’
In het volgende bericht van de Italiaanse autoriteiten van 4 januari 2023 staat:
‘We kindly ask you to CANCEL ALL TRANSFERS scheduled for January and reschedule them from February on, hoping that things improve in the meantime.
As communicated by our Head of Office in the circular letter sent to your Offices on 05.12.2022, due to the intense arrivals by both sea and land, there is a severe scarcity of reception facilities.
Unfortunately, the situation has not changed, therefore transfers to Italy are not allowed yet. All the scheduled transfers are to be considered cancelled, unless you receive new communications from our side.’
5. De rechtbank stelt vast dat Italië in de circular letter te kennen heeft gegeven dat zij vanaf 5 december 2022 niet kunnen voldoen aan de verplichtingen uit de Opvangrichtlijn voor wat betreft Dublinterugkeerders, behoudens de gemaakte uitzondering voor gezinshereniging voor alleenstaande minderjarigen. Italië geeft in deze circular letter verder geen inhoudelijke toelichting over de oorzaak van het niet beschikbaar zijn van de opvangvoorzieningen en op welke termijn verwacht wordt dat deze wel weer beschikbaar zullen zijn. In het bericht van 4 januari 2023 is aangegeven dat de oorzaak een grote instroom is en dat transfers in januari niet zijn toegestaan. In dit bericht is het verzoek gedaan om de overdrachten van januari naar februari te verzetten in de hoop dat dingen ondertussen verbeteren.
6. Verweerder heeft toegelicht dat de Europese Commissie op 20 december 2022 aan Italië heeft verzocht om weer Dublinoverdrachten te accepteren. Op 10 januari 2023 heeft verweerder hier informeel navraag over gedaan bij de Europese Commissie. De Europese Commissie heeft aangegeven geen reactie te hebben ontvangen van de Italiaanse autoriteiten op dit verzoek. Verweerder heeft verder toegelicht dat hij voor het laatst overleg heeft gehad met Italië op 9 januari 2023. Verweerder heeft echter geen inhoudelijke toelichting of ander inzicht kunnen geven in mogelijke oplossingen of de verwachte duur van de opvangproblemen.
7. De rechtbank merkt het niet beschikbaar zijn van opvangvoorzieningen niet aan als tijdelijk feitelijk overdrachtsbeletsel. Van een tijdelijk feitelijk overdrachtsbeletsel is namelijk sprake als de overdracht zelf niet kan worden uitgevoerd, zoals het geval was in de periode van de covid-pandemie. Voor zover verweerder een beroep doet op de situatie van Roemenië zoals deze door de ABRvS op 31 mei 2022 is beoordeeld4, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een andere situatie. In dat geval hadden de Roemeense autoriteiten aangegeven dat in urgente gevallen, zoals in geval van het bijna verlopen van de overdrachtstermijn, overdracht wel mogelijk was. Daarvan is hier geen sprake. In het bericht van 4 januari 2023 verbieden de Italiaanse autoriteiten transfers. Wat betreft tijdelijkheid merken zij op dat zij hopen dat de situatie na januari 2023 verbetert, maar op hoop alleen kan niet de conclusie worden gebaseerd dat de belemmering binnen acceptabele termijn is opgelost.
8. In het geval van eiser kan de overdracht op dit moment niet plaatsvinden vanwege het ontbreken van opvangvoorzieningen. De overdracht aan Italië kan niet plaatsvinden omdat deze als gevolg zou hebben dat eiser na overdracht het reële risico loopt te worden
4ECLI:NL:RVS 2022:1520.
blootgesteld aan een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest), als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.
9. Naar het oordeel van de rechtbank moet naar de huidige stand van zaken worden geoordeeld dat eiser met verwijzing naar de circular letter van 5 december 2022 aannemelijk heeft gemaakt dat er thans in Italië een ernstig tekort aan opvang is.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
31 januari 2023
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.