Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-16
ECLI:NL:RBDHA:2023:22382
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,897 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.12654
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. K. Benchaïb),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).
Inleiding
Bij besluit van 2 augustus 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om afgifte van een document waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 3 april 2023 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 3 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
1. Eiseres stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . Zij wenst verblijf bij haar minderjarige zoon [minderjarige] en partner in Nederland. Eiseres beschikt over een Zweedse verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Haar zoon en partner hebben de Nederlandse nationaliteit. Eiseres heeft eerder tweemaal om een verblijfsvergunning voor verblijf bij haar partner verzocht. De eerste aanvraag is buiten behandeling gesteld en de tweede aanvraag is afgewezen.
2. Op 1 december 2021 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor verblijf als verzorgende ouder bij haar Nederlandse zoon op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354 (hierna: het arrest Chavez-Vilchez).
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en het bezwaar van eiseres tegen dit besluit ongegrond verklaard. Volgens verweerder ontleent eiseres geen afgeleid verblijfsrecht aan artikel 20 van het VWEU op grond van het arrest Chavez-Vilchez, omdat eiseres over een Zweeds verblijfsrecht beschikt. Verweerder heeft ambtshalve getoetst of eiseres in aanmerking komt voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 21 van het VWEU. Dit is volgens verweerder niet het geval, omdat eiseres niet heeft aangetoond dat zij zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt.
Beoordeling
4. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Kan eiseres een verblijfsrecht ontlenen aan artikel 20 van het VWEU op grond van het arrest Chavez-Vilchez?
5. Eiseres betoogt dat zij een verblijfsrecht ontleent aan artikel 20 van het VWEU op grond van het arrest Chavez-Vilchez. Haar zoon [minderjarige] heeft de Nederlandse nationaliteit en zij heeft de rol van verzorgende ouder. Het bestreden besluit heeft tot gevolg dat zij met [minderjarige] naar Zweden zal moeten verhuizen, wil zij haar zorgtaken kunnen blijven vervullen. Dit is onwenselijk. [minderjarige] zal dan worden gescheiden van zijn vader die in Nederland woont. Bovendien gaat [minderjarige] in Nederland naar school en heeft hij in Nederland een sociaal leven opgebouwd.
6. De rechtbank overweegt als volgt. In het arrest Chavez-Vilchez heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaald dat er zeer bijzondere situaties bestaan waarin aan een onderdaan van een derde land, die familielid is van een burger van de Unie, een afgeleid verblijfsrecht moet worden toegekend, omdat anders aan het Unieburgerschap de nuttige werking zou worden ontnomen, indien, als gevolg van de weigering om zo’n recht aan de onderdaan van een derde land te verlenen, de burger van de Unie feitelijk verplicht is om het grondgebied van de gehele Unie te verlaten en hem zo het effectieve genot van de essentie van de aan die status ontleende rechten wordt ontzegd.
6.1.
In haar uitspraak van 16 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:789 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) bepaald dat uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat een onderdaan van een derde land geen aanspraak heeft op een afgeleid verblijfsrecht als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez als hij zich met de burger van de Unie naar een andere lidstaat kan begeven. De rechtbank volgt dit oordeel van de Afdeling. Dat betekent dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiseres geen verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 20 van het VWEU op grond van arrest Chavez-Vilchez. Verweerder wijst er terecht op dat eiseres een verblijfsrecht heeft in Zweden. Eiseres betwist dit niet en heeft tijdens de hoorzitting in bezwaar bovendien een kopie van haar Zweedse verblijfsvergunning overgelegd. Dat aan eiseres een verblijfsrecht in Nederland wordt geweigerd, leidt daarom niet tot de situatie dat haar zoon [minderjarige] – een burger van de Unie – gedwongen zal worden om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten indien hij eiseres volgt, nu hij eiseres kan volgen naar Zweden. Eiseres kan reeds daarom geen verblijfsrecht ontlenen aan artikel 20 van het VWEU op grond van het arrest Chavez-Vilchez. De omstandigheid dat [minderjarige] in Nederland naar school gaat en een sociaal leven heeft opgebouwd, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder stelt voorts niet ten onrechte dat aangenomen kan worden dat eiseres zich met haar kind én haar partner – de vader van haar kind – in Zweden kan vestigen, omdat haar partner ook een burger van de Unie is. Anders dan eiseres stelt, wordt [minderjarige] door het bestreden besluit dus niet gescheiden van zijn vader. De beroepsgrond slaagt niet.
Kan eiseres een verblijfsrecht ontlenen aan artikel 21 van het VWEU?
7. Eiseres betoogt dat zij een verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 21 van het VWEU. Zij heeft in Zweden immers langer dan drie maanden met haar Nederlandse zoon samengewoond. Ter onderbouwing hiervan heeft zij diverse documenten overgelegd. Eiseres stelt ook dat zij in Zweden voldoende middelen van bestaan had om in de kosten van levensonderhoud te voorzien.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 21, eerste lid, van het VWEU heeft iedere burger van de Unie het recht vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij de Verdragen en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van Richtlijn 2004/38/EG (hierna: de Verblijfsrichtlijn) heeft iedere burger van de Unie het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het stelsel van sociale bijstand van het gastland. Op grond van het tweede lid van dit artikel, voor zover thans van belang, strekt het verblijfsrecht van het eerste lid zich uit tot familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, en die de burger van de Unie begeleiden of zich in het gastland bij hem voegen, en voldoen aan de voorwaarden onder b.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 21 van het VWEU. In geschil is of eiseres gedurende haar verblijf in Zweden over voldoende bestaansmiddelen beschikte om in de kosten van levensonderhoud te voorzien. De rechtbank stelt vast dat eiseres tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft verklaard dat zij in Zweden bijstand ontving om in de kosten van haar bestaan te voorzien. Nu eiseres in Zweden ten laste kwam van het stelsel van sociale bijstand, voldoet zij niet aan het middelenvereiste uit artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verblijfsrichtlijn. De beroepsgrond slaagt niet.
8.2.
Eiseres kan reeds vanwege het ontbreken van voldoende bestaansmiddelen geen verblijfsrecht aan artikel 21 van het VWEU ontlenen. De beroepsgrond van eiseres dat zij in Zweden langer dan drie maanden met haar Nederlandse zoon heeft samengewoond, behoeft daarom geen bespreking meer.
Ambtshalve toetsing aan artikel 8 van het EVRM?
9. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte niet ambtshalve heeft getoetst of zij op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in aanmerking zou komen voor verblijf in Nederland.
10. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat hij afziet van ambtshalve toetsing aan artikel 8 van het EVRM. Verweerder stelt zich op het standpunt dat een aanvraag om te toetsen aan het arrest Chavez-Vilchez is te onderscheiden van een aanvraag om te toetsen aan artikel 8 van het EVRM. De eerste aanvraag strekt tot bescherming van de Unieburgerschapsrechten van het minderjarige kind van de aanvrager, terwijl de tweede aanvraag strekt tot bescherming van het recht op gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt volgens verweerder dat een vreemdeling geen aanspraak kan maken op een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez als deze vreemdeling op grond van andere bepalingen, waaronder artikel 8 van het EVRM, een verblijfsrecht kan krijgen. Verweerder verwijst naar de arresten van 30 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:487 en van 27 februari 2020, ECLI:EU:C:2020:119. Nu eiseres een aanvraag voor een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez heeft ingediend, heeft zij daarmee volgens verweerder aangegeven dat er voor haar geen andere mogelijkheid tot verblijf in Nederland is.
10.1.
Verweerder overweegt ook dat eiseres met haar aanvraag tot toetsing aan artikel 20 VWEU bewust heeft gekozen voor een specifieke procedure ter vaststelling van haar afgeleide verblijfsrechten van het EU burgerschap, met de daarbij behorende (lagere) legeskosten. Een toetsing aan artikel 8 van het EVRM kent een ander kader en vergt daardoor een ander aanvullend grondig onderzoek en een andere specifieke deskundigheid.
Conclusie
12. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
13. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 837,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 837,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiseres te vergoeden
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 837,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.P. Heisterkamp, rechter, in aanwezigheid van J.V. Poeles, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2369.
Beoordeling
De leges die in de onderhavige procedure zijn betaald, staan volgens verweerder niet in verhouding tot de tijd en capaciteit die een aanvraag op grond van artikel 8 van het EVRM vraagt. Het belang van de verweerder om deze reden niet ambtshalve aan artikel 8 van het EVRM te toetsen wanneer een aanvraag op grond van het arrest Chavez-Vilchez wordt gedaan, is volgens verweerder groter dan het belang van eiseres dat in de onderhavige procedure wél ambtshalve aan artikel 8 van het EVRM wordt getoetst. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres een (aparte) aanvraag moet doen voor verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM als zij meent dat zij een verblijfsrecht kan ontlenen aan het recht op gezinsleven zoals bedoeld in dat artikel.
10.2.
Tot slot overweegt verweerder in het bestreden besluit dat eiseres haar gezinsleven met haar kind en partner in Zweden kan uitoefenen. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat dit een overweging ten overvloede is en dat deze omstandigheid niet is betrokken in de afweging over het al dan niet aanwenden van de bevoegdheid om ambtshalve te toetsen aan artikel 8 van het EVRM.
11. De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) volgt dat verweerder de bevoegdheid heeft om een vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen indien diens uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:187 volgt dat verweerder, als een vreemdeling (impliciet) een beroep doet op artikel 8 van het EVRM, deugdelijk moet motiveren waarom hij geen gebruik maakt van deze bevoegdheid. Verweerder kan voor die motivering verwijzen naar het toepasselijke beleid als daarin is toegelicht waarom in bepaalde gevallen geen gebruik wordt gemaakt van deze bevoegdheid of, als dat beleid ontbreekt, in het individuele geval toelichten waarom van deze bevoegdheid geen gebruik wordt gemaakt.
11.1.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres (impliciet) een beroep heeft gedaan op artikel 8 van het EVRM. Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat er geen beleid is over de aanwending van de bevoegdheid uit artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb. Niet in geschil is dat een ‘deugdelijke motivering’ in dat geval betekent dat verweerder in het individuele geval van eiseres moet toelichten waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om ambtshalve te toetsen aan artikel 8 van het EVRM. In geschil is of verweerder in het bestreden besluit heeft voldaan aan deze maatstaf voor een deugdelijke motivering.
11.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid uit artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zijn motivering niet toegespitst op het individuele geval van eiseres. De rechtbank stelt voorop dat uit de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:187 volgt dat de omstandigheid dat toetsing aan het arrest Chavez-Vilchez is te onderscheiden van toetsing aan artikel 8 van het EVRM, geen afdoende verklaring is waarom verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid die artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb hem geeft. De rechtbank volgt dit oordeel van de Afdeling.
Verweerder heeft daarnaast in het bestreden besluit overwogen dat de leges voor een aanvraag op grond van het arrest Chavez-Vilchez niet in verhouding staan tot de tijd en capaciteit die een toetsing aan artikel 8 van het EVRM vraagt. Daarom weegt het belang van de verweerder om niet ambtshalve aan artikel 8 van het EVRM te toetsen wanneer een aanvraag op grond van het arrest Chavez-Vilchez wordt gedaan, zwaarder dan het belang van eiseres dat in haar Chavez-Vilchez-procedure wel ambtshalve wordt getoetst aan
artikel 8 van het EVRM.
De rechtbank volgt verweerder niet voor zover hij stelt dat hij hiermee wel op het individuele geval van eiseres toegespitst heeft gemotiveerd waarom hij heeft afgezien van ambtshalve toetsing aan artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft hiermee geconcretiseerd wat voor hém het praktische en organisatorische belang is bij het gescheiden houden van de twee procedures, maar hij heeft niet geconcretiseerd wat het belang van eiseres is bij ambtshalve toetsing aan artikel 8 van het EVRM in het kader van haar aanvraag op grond van het arrest Chavez-Vilchez. In de hierboven genoemde uitspraak van 20 januari 2022 verwijst de Afdeling naar de nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit van 17 december 2013 (stroomlijning toelatingsprocedures; Stb. 2013, 580), waarin in een beknopte passage over artikel 3.6b van het Vb wordt gewezen op het belang van een vreemdeling bij ambtshalve toetsing aan artikel 8 van het EVRM dat hierdoor direct duidelijk wordt of er een reden is om op die grond verblijf in Nederland toe te staan. Uit het bestreden besluit blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder zich rekenschap heeft gegeven van dit belang van eiseres. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit belang van eiseres en ook andere mogelijke belangen van eiseres bij ambtshalve toetsing door verweerder aan artikel 8 van het EVRM niet kenbaar heeft betrokken in zijn belangenafweging. Verweerders standpunt dat een aanvraag op grond van het arrest Chavez-Vilchez zou impliceren dat een toetsing aan overige aanspraken, zoals aanspraken op grond van artikel 8 van het EVRM, niet meer aan de orde kan zijn, volgt de rechtbank niet. Met haar aanvraag voor een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez heeft eiseres dus niet haar eventuele aanspraken op een verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM prijsgegeven.
11.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij in het geval van eiseres geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid die artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb hem geeft, zodat het besluit in strijd is met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepsgrond slaagt.