Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-18
ECLI:NL:RBDHA:2023:22279
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,446 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 22/6507
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. T. M. Malik),
en
De Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. Y. Rikken).
Procesverloop
In het besluit van 21 april 2022 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
In het besluit van 1 september 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van verweerder. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser stelt van Pakistaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op
[geboortedatum]. Hij heeft op 12 april 2022 verzocht om de afgifte van een visum voor kort verblijf om Nederland als toerist te bezoeken.
De bezwaarprocedure
2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zouden zijn aangetoond. Eiser is het hier niet mee eens en heeft bezwaar ingediend. Op 30 mei 2022 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ontvangen.
3. Omdat het bezwaarschrift volgens verweerder niet binnen de wettelijke termijn van vier weken was ingediend, heeft verweerder gevraagd om uit te leggen waarom hij te laat is geweest met het indienen van het bezwaar. Op 29 juli 2022 heeft verweerder de reactie van eiser ontvangen, waarin hij aangeeft dat het probleem bij de post moet liggen. Eiser stelt dat hij het bezwaarschrift op 20 mei 2022 heeft opgestuurd vanuit Pakistan.
4. In het bestreden besluit heeft verweerder het standpunt ingenomen dat dit niet als een verschoonbare reden kan worden opgevat en dat het bezwaar daarom kennelijk niet-ontvankelijk is.
5. Eiser is het hier niet mee eens en heeft daarom beroep ingesteld bij de rechtbank.
Beoordeling
6. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of het beroep van eiser ontvankelijk is. De beslissing op bezwaar is gedateerd op 1 september 2022 en het beroepschrift van eiser (gedateerd 6 oktober 2022) is op 28 oktober 2022 door de rechtbank ontvangen.
7. Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 69 van de Vreemdelingenwet een termijn van vier weken. Deze termijn begint op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is op grond van artikel 3:41 van de Awb in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.
Het bestreden besluit is gedateerd op 1 september 2022. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de beroepstermijn van vier weken is aangevangen op 2 september 2022 en stelt vast dat het beroep van eiser daarom na afloop van de beroepstermijn bij de rechtbank is ingediend.
8. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verschoonbaar is. Dan laat de rechtbank op grond van artikel 6:11 van de Awb
niet-ontvankelijkheidsverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
9. De rechtbank heeft eiser op 21 juni 2023 per e-mail verzocht om aan te geven waarom het beroep na het einde van de termijn is ingediend. Eiser heeft hier op 3 juli 2023 per e-mail op geantwoord. Hij geeft in zijn e-mail aan dat hij zijn beroep op tijd heeft ingediend en dat er van zijn kant geen vertraging is veroorzaakt.
10. De rechtbank concludeert dat eiser in zijn reactie geen reden heeft gegeven voor de te late indiening van zijn beroepschrift en dat dit onvoldoende is om de termijnoverschrijding niet aan hem toe te rekenen. De enkele stelling van eiser dat hij zijn beroep op tijd heeft ingediend geeft onvoldoende verklaring voor het feit dat het beroepschrift pas op 28 oktober 2022 door de rechtbank is ontvangen. De rechtbank merkt hierbij nog op dat het beroepschrift gedateerd is 6 oktober 2022 en op dat moment de beroepstermijn al was verstreken. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard en de rechtbank komt daarom niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het beroep.
Conclusie
11. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van
mr. R.M. Timmerman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.