Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-05
ECLI:NL:RBDHA:2023:22170
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,511 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/3738
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Essakkili).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om handhaving.
1.1.
Verweerder heeft het handhavingsverzoek met het besluit van 21 oktober 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 april 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
2. Eiser heeft een handhavingsverzoek ingediend vanwege openbreking van het trottoir en een deel van het parkeerterrein ter hoogte van [adres] om bloemperken aan te leggen. Hier is volgens eiser geen instemming voor gevraagd op grond van artikel 2:11, eerste lid van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (hierna: APV). Verweerder heeft het verzoek om handhaving afgewezen, omdat in dit geval geen vergunning nodig was voor de aanleg van de bloemperken, maar kon worden volstaan met een LTC-melding. Nu deze melding niet vatbaar is voor bezwaar en eiser daarom geen belang meer heeft bij het indienen van bezwaar, heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft er daarbij van afgezien om eiser in bezwaar te horen.
3. Verweerder heeft op 30 oktober 2023 het bestreden besluit ingetrokken en te kennen gegeven het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden. Eiser zal alsnog worden gehoord in bezwaar, waarna een nieuw besluit op zijn bezwaar zal worden genomen. Aangezien eiser niet heeft verzocht om vergoeding van zijn proceskosten, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke behandeling van de zaak. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
4. Ter zitting heeft eiser onder meer verzocht dat de rechtbank bepaalt dat een door hem bij name genoemde ambtenaar niet meer bij deze zaak betrokken mag zijn. Deze ambtenaar zou enkel aangesteld zijn om bezwaarschriften als kennelijk ongegrond of kennelijk nietontvankelijk af te doen en is, gelet op zijn eerdere positie als adviseur van een wethouder, vooringenomen. Ook heeft eiser erop gewezen dat ook zaken waarbij het bezwaar als kennelijk wordt afgedaan en dus van horen wordt afgezien, moeten worden voorgelegd aan de bezwaarschriften adviescommissie.
5. Verweerder heeft ter zitting te kennen gegeven dat de desbetreffende ambtenaar coördinator is van de Afdeling Juridische Zaken. De besluiten op bezwaar worden door andere ambtenaren voorbereid en opgesteld en aan de coördinator voorgelegd. De coördinator is bevoegd de besluiten waarin bezwaren kennelijk ongegrond of kennelijk nietontvankelijk worden geacht, te ondertekenen, zonder dat deze door de bezwaarschriften adviescommissie inhoudelijk worden behandeld. Verweerder betwist dan ook dat de desbetreffende ambtenaar enkel is aangesteld om, zoals eiser heeft gesteld, hiermee dwangsommen te voorkomen.
6. Gelet op voorgaande, ziet de rechtbank geen aanwijzingen dat er bij de desbetreffende ambtenaar sprake zou zijn van vooringenomenheid. Ook wijst de rechtbank erop dat verweerder niet wettelijk verplicht is om bezwaarschriften voor te leggen aan een adviescommissie. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de interne werkwijze van verweerder niet zou voldoen aan de Algemene wet bestuursrecht.
7. Voor zover eiser de rechtbank heeft verzocht om de maximale te verbeuren dwangsom vast te stellen, vanwege het feit dat met een dermate ondeugdelijk besluit een dwangsom wegens niet tijdig beslissen wordt voorkomen, overweegt de rechtbank als volgt. De dwangsomregeling, zoals neergelegd in hoofdstuk 4 van de Algemene wet bestuursrecht, beoogt burgers een effectiever rechtsmiddel te geven tegen te trage besluitvorming. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder tijdig op het bezwaar van eiser heeft beslist. Eiser heeft vervolgens de mogelijkheid rechtsmiddelen tegen het besluit aan te wenden en de rechtmatigheid van het besluit te laten toetsen door de bestuursrechter. Eiser heeft hier ook gebruik van gemaakt. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om verweerder te veroordelen tot het betalen van een dwangsom.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om vaststelling van een dwangsom af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.