Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-19
ECLI:NL:RBDHA:2023:21642
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
2,798 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.24020 (beroep) en NL23.24021 (verzoek)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser/verzoeker], eiser/verzoeker (hierna: eiser),
v-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. Y.D. Ancion).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 19 augustus 2023 eisers aanvraag kennelijk ongegrond verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 14 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. El Mathari als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedag] 1985 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft aan zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ten grondslag gelegd dat hij Marokko heeft verlaten toen hij ongeveer 18 jaar oud was omdat hij op straat leefde. Hij heeft Marokko verlaten samen met zijn vriend [naam], met wie hij is opgegroeid in een internaat. Voor zijn uitreis heeft hij drugshandelaren € 6.000,- beloofd, waarna hij mee mocht varen op één van de boten die zij gebruikten voor drugssmokkel. Eenmaal aangekomen in Spanje is eiser samen met [naam] stiekem weggeglipt. De drugshandelaren zouden 75 kilo hasj (met een waarde van twee ton) kwijt zijn en verdenken eiser ervan deze te hebben meegenomen. Om die reden heeft hij bij terugkeer naar Marokko te vrezen voor de drugshandelaren.
3. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar niet dat hij problemen heeft met drugshandelaren. Dit betekent volgens verweerder dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat volgens verweerder in eisers geval Marokko een veilig land van herkomst is, eiser zijn asielaanvraag enkel heeft ingediend om zijn uitzetting uit te stellen of te verijdelen en eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was.
Waarom is eiser het niet eens met verweerder?
4. Verweerder werpt eiser ten onrechte tegen dat zijn reis en verblijf in andere Europese landen afbreuk doen aan zijn gestelde vrees. Ook stelt verweerder zich volgens eiser ten onrechte op het standpunt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het moment van zijn vertrek uit Marokko. De problemen met de drugshandelaren heeft verweerder ten onrechte ongeloofwaardig gevonden en dat hij de achternaam van zijn vriend [naam] niet weet is niet bevreemdend. Tot slot heeft verweerder zijn asielaanvraag ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Problemen met de drugshandelaars
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deugdelijk gemotiveerd heeft gesteld dat eisers verklaringen over de problemen met de drugshandelaars ongeloofwaardig zijn. In dit kader heeft verweerder eiser tegen kunnen werpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het moment waarop hij Marokko heeft verlaten. Verweerder heeft er in dit kader op kunnen wijzen dat eiser in het gehoor van 24 juli 2023 al tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd door te verklaren dat hij 22 jaar was toen hij Marokko verliet, maar ook dat hij 19 jaar was. Daar komt bij dat deze verklaringen niet overeenkomen met zijn verklaring bij de AVIM op 20 juli 2022, tijdens een gehoor in het kader van een op te leggen inreisverbod. In dit gehoor heeft eiser namelijk verklaard dat hij tien jaar was toen hij Marokko verliet. Naast dat uit het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal blijkt dat dit specifieke en gedetailleerde verklaringen zijn, heeft eiser dit later herhaald in zijn beroepsprocedure tegen het inreisverbod, door te stellen dat hij niet terug kan naar Marokko omdat hij al vanaf zijn 10e niet meer in Marokko woont. Hoewel eiser in het eerstgenoemde gehoor niet is geconfronteerd met deze laatstgenoemde verklaring, maakt dit niet dat verweerder eiser dit niet kan tegenwerpen. Het gaat hier namelijk om een verklaring waar eiser op een later moment op eigen initiatief in heeft volhard. Daar komt bij dat eiser tot op heden geen goede verklaring heeft gegeven waarom zijn verklaring dat hij op zijn 10e Marokko heeft verlaten niet klopt. Dat deze verklaring is gedaan in een andere procedure maakt niet dat verweerder eiser dit niet heeft kunnen tegenwerpen. Verweerder verricht namelijk een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling, waarbij alle verklaringen van eiser, ook die gedaan in andere verblijfsrechtelijke procedures, relevant zijn. De rechtbank is niet bekend met een rechtsregel die dit verbiedt.
6. Ook eisers verklaringen over zijn overtocht met de hulp van drugshandelaars en de betaling voor de overtocht heeft verweerder ongeloofwaardig kunnen vinden. In dit kader stelt verweerder niet ten onrechte dat het bevreemdend is dat de drugshandelaars twee onbekenden zonder betaling vooraf en op grond van slechts een belofte, zonder enige vorm van garantie, hebben meegenomen op een drugstransport. Immers, hoe meer mensen van zo’n transport weten, des te groter het risico voor de drugshandelaars. Verweerder wijst in redelijkheid op het risico dat eiser bijvoorbeeld aangifte tegen hen had kunnen doen. Dit betekent dat mensensmokkel en drugssmokkel samen niet zonder risico is voor de drugshandelaars, zodat verweerder ook niet ten onrechte stelt dat het bevreemdend is dat eiser achteraf mocht betalen. In dit kader heeft verweerder erop kunnen wijzen dat eisers verklaringen over de betaling voor de overtocht tegenstrijdig zijn. Zo heeft eiser enerzijds verklaard dat hij gespaard en betaald heeft voor de reis, om later te verklaren dat hij de afspraak heeft gemaakt om het bedrag achteraf te betalen. Eisers verklaring in beroep dat dit niet tegenstrijdig is omdat hij een deel had gespaard maar het bedrag van € 6.000,- te hoog was, neemt deze tegenstrijdigheid niet weg. Niet valt in te zien waarom eiser dit niet tijdens het gehoor heeft verklaard. Ook heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat hij geen logische verklaring heeft kunnen geven hoe hij kon ontsnappen terwijl het ging om gewapende leden van een drugsbende die hij nog € 6.000,- moest betalen. De in beroep ingenomen stelling dat hij hier onvoldoende over is bevraagd volgt de rechtbank niet. Uit het verslag van het gehoor blijkt namelijk dat hier wel degelijk op is doorgevraagd. Tot slot vindt verweerder het niet ten onrechte bevreemdend dat eiser door de drugshandelaars wordt verdacht van het verdwijnen van 75 kilogram drugs. Een dergelijke hoeveelheid verdwijnt immers niet zomaar.
7. Verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat het bevreemdend is dat eiser niet de achternaam van [naam] weet. In dit kader is van belang dat zij samen zijn opgegroeid in een internaat, zij samen Marokko hebben verlaten met het drugstransport en vervolgens zijn gevlucht. Nadien heeft eiser ook nog contact gehad met [naam]. Dat het niet gebruikelijk was om de achternaam te gebruiken die door het internaat was toegewezen, heeft verweerder gelet op deze omstandigheden onvoldoende kunnen vinden.
8. Tot slot heeft verweerder eiser op goede gronden tegengeworpen dat het feit dat hij meerdere jaren in Frankrijk (8 jaar) en België (5 jaar) heeft verbleven zonder de bescherming of hulp in te roepen van de autoriteiten, afbreuk doet aan zijn vrees voor de drugshandelaars. Verweerder heeft dit in redelijkheid tegengeworpen, nu eiser niet enkel door deze landen is gereisd, maar hij meerdere jaren in deze landen heeft verbleven. Het lag daarmee meer in de rede voor eiser om aan de autoriteiten van die landen hulp te vragen dan naar Nederland door te reizen, zeker gelet op zijn verklaringen dat zijn vriend in Frankrijk is mishandeld en vervolgens een verblijfsvergunning heeft gekregen. Dat eiser niet wist wat asiel was, doet niet af aan het feit dat hij de hulp van de autoriteiten had kunnen inroepen. Daar komt bij dat eiser ook in Nederland niet direct om hulp of bescherming heeft gevraagd. Hij verblijft namelijk sinds 2019 in Nederland en heeft pas in juli 2023 asiel aangevraagd. Dat hij niet eerder wist dat hij asiel kon aanvragen is niet geloofwaardig, omdat eiser voor die tijd meerdere keren contact heeft gehad met de Nederlandse autoriteiten en diverse procedures heeft doorlopen, waarbij hij is bijgestaan door een advocaat. Daarbij is hem in ieder geval op 14 januari 2023 gewezen op zijn recht om asiel aan te vragen. Ook ter zitting heeft eiser niet kunnen verklaren waarom hij in Nederland niet eerder asiel heeft aangevraagd.
Conclusie
11. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Dit betekent dat verweerder eiser geen verblijfsvergunning asiel hoeft te verlenen.
12. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.M. van den Berg, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, f en h, en artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (de Vw 2000).
Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
Zie pagina 13 en 14 van het verslag gehoor aanmeldfase van 24 juli 2023.
Zie paragraaf C7/1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000.