Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-20
ECLI:NL:RBDHA:2023:21639
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,269 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/723
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder
(gemachtigde: J.Y. van den Berg).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de inhouding van een bedrag van € 524,07 op zijn ouderdomspensioen op grond van de AOW.
De rechtbank heeft het beroep op 8 november 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
1. Eiser ontvangt een ouderdomspensioen op grond van de AOW. LAVG Gerechtsdeurwaarders (LAVG) heeft in november 2021 loonbeslag gelegd op het ouderdomspensioen van eiser. Op 14 oktober 2022 heeft LAVG verweerder geïnformeerd dat de beslagvrije voet is gewijzigd. Bij het besluit van 21 oktober 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat vanaf november 2022 daarom elke maand een bedrag van € 524,07 wordt ingehouden op zijn ouderdomspensioen. Dit betekent dat hij vanaf dat moment een bedrag van € 409,45 netto per maand aan ouderdomspensioen zal ontvangen. Eiser is tegen het primaire besluit in bezwaar gegaan. Bij het besluit van 12 december 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
2. Eiser voert aan dat een te hoog bedrag is ingehouden op zijn ouderdomspensioen, als gevolg waarvan LAVG een bedrag van € 1.767,30 teveel heeft ontvangen. In zijn aanvullend beroepschrift noemt eiser een bedrag van € 2.090,15. Eiser voert aan dat verweerder alleen de belangen van de schuldeiser behartigt en de belangen van de burger onvoldoende in acht neemt. Eiser betoogt dat LAVG heimelijke verhogingen doorvoert waardoor zijn schuld iedere keer verandert. Volgens eiser had verweerder de inhouding niet moeten toelaten.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beslag op een juiste manier is uitgevoerd. Volgens verweerder is hij verplicht om het gelegde beslag uit te voeren. Verder is alleen de burgerlijke rechter bevoegd om te oordelen of er juist beslag is gelegd op het ouderdomspensioen van eiser.
4.1
Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat bezwaren over een beslag kunnen worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter en dat het niet op de weg van verweerder, als derdenbeslagene, ligt om de geldigheid van het beslag te beoordelen. De bestuursrechter mag daarover ook niet oordelen. Bij de beoordeling van een betalingsbeslissing als in dit geding aan de orde, moet het gelegde beslag als een gegeven worden aanvaard. De rechtbank moet zijn toetsing daarom beperken tot het beantwoorden van de vraag of verweerder bij het nemen van zijn beslissing, is gebleven binnen het kader van het beslag.
4.2
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder een juiste toepassing gegeven aan de in overweging 4.1 genoemde rechtspraak. De beroepsgrond dat het derdenbeslag onrechtmatig en te hoog is, kan gelet op het voorgaande niet slagen. De rechtmatigheid van het beslag staat namelijk niet in deze procedure ter beoordeling. Eiser heeft verder niets aangevoerd tegen de wijze van beslaglegging, alleen tegen de beslaglegging zelf.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
6. Eiser krijgt zijn griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank evenmin aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Ince, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Algemene Ouderdomswet.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 22 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1077, r.o. 4.1, of de uitspraak van de CRvB van 25 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3578, r.o. 4.3.