Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-29
ECLI:NL:RBDHA:2023:21516
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,073 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.39876
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser V-nummer: [V nummer]
(gemachtigde: mr. S. Faber), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: J.M.M. van Gils ).
Procesverloop
Verweerder heeft op 7 november 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 18 december 2023 (in de zaak NL23.37564) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Zijn asielaanvraag is op 20 november 2023 afgewezen en verweerder had de bewaringsmaatregel daarom op die dag moeten omzetten naar een bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Nu verweerder dit pas op 29 november 2023 heeft gedaan, heeft hij onvoldoende voortvarend gehandeld en heeft eiser negen dagen onrechtmatig in bewaring doorgebracht. De onrechtmatige vrijheidsbeneming van 20 november 2023 tot 29 november 2023 maakt dan ook dat de huidige bewaring dient te worden opgeheven.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser had gedurende de rechtsmiddelentermijn tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw. Gedurende die tijd mocht de vreemdelingenbewaring zijn gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Dit procedureel rechtmatig verblijf eindigde op 28 november 2023 en de maatregel is binnen twee dagen daarna omgezet. Dit is naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel is dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig is.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van
N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
29 december 2023
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.