Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-09
ECLI:NL:RBDHA:2023:21488
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,411 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.34221
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
, eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. F. Fonville),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Verweerder heeft op 15 september 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1971] .
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 27 september 2023 (in de zaak NL23.29749) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting is. Verweerder beschikt over eisers originele nationale Marokkaanse identiteitskaart en een kopie van het verlopen Marokkaanse paspoort van eiser. Niettemin hebben de Marokkaanse autoriteiten meer dan vier maanden na de aanvraag daarvan nog geen laissez passer (lp) afgegeven. Verweerder heeft ook niet concreet aangegeven welke vorm van medewerking hij nog meer van eiser verwacht. Gelet hierop is eiser van mening dat een belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen en de maatregel van bewaring dient te worden beëindigd.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
Zicht op uitzetting
6. In beginsel is zicht op uitzetting naar Marokko aanwezig. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 november 2022 en 16 mei 2023¹. In deze zaak loopt het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten nog. Verweerder rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten in verband met de afgifte van een lp ten behoeve van eiser, laatstelijk op 12 oktober 2023. Tevens heeft verweerder op 19 oktober 2023 en 31 oktober 2023 deze aanvraag rechtstreeks onder de aandacht gebracht bij de Marokkaanse autoriteiten. Dat het onderzoek lang duurt is op zichzelf niet doorslaggevend, te meer niet nu de Marokkaanse autoriteiten niet op voorhand te kennen hebben gegeven geen lp te zullen verstrekken. Wat betreft eisers beroepsgrond dat er een kopie van zijn verlopen paspoort en zijn geldige identiteitskaart voorhanden is overweegt de rechtbank dat deze documenten een rol kunnen spelen bij de afgifte van een lp, maar niet per se doorslaggevend zijn. Verweerder is voor de afgifte van een lp afhankelijk van de werkwijze van de Marokkaanse autoriteiten. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank daarom geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting is. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging
7. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die, gelet op de duur van deze bewaring, voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toetsing
8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel is dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig is.
1. ECLI:NL:RVS:2022:3269 en ECLI:NL:RVS:2023:1968
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van
N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
09 november 2023
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.