Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-01
ECLI:NL:RBDHA:2023:21475
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,726 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.33193
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: S.H.F. Pols).
Procesverloop
Verweerder heeft op 14 september 2023 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiseres heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft zij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiseres heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiseres stelt van Jordaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1962.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 2 oktober 2023 (in de zaak NL23.29105) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiseres voert aan dat er geen zicht op uitzetting is en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De aanvraag om een laissez passer (lp) is op 21 juni 2023 verzonden naar de diplomatieke vertegenwoordiging van Jordanië. Ondanks verschillende rappels hebben de Jordaanse autoriteiten geen toestemming gegeven voor de afgifte van een lp. Het is niet aannemelijk dat zij dit op korte termijn alsnog zullen doen. Verder is eiseres van mening dat verweerder onvoldoende in zijn belangenafweging heeft betrokken dat eiseres nooit met een onbekende bestemming vertrokken, dat verweerder weet dat eiseres bij haar dochter verblijft en dat zij tot haar vertrek uit Nederland graag op haar kleinzoon wil kunnen passen. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s- Hertogenbosch, van 14 november 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:11952) is eiseres van mening dat een belangenafweging in haar voordeel dient uit te vallen. Verweerder heeft niet duidelijk gemaakt welke zwaarwegende belangen voor hem spelen bij de inbewaringstelling, aldus eiseres.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
Zicht op uitzetting en het voortvarendheidsvereiste
6. Het onderzoek bij de autoriteiten van Jordanië loopt nog. Verweerder rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten naar de stand van zaken met betrekking tot de afgifte van een lp, laatstelijk op 12 oktober 2023. Dat het onderzoek bij de autoriteiten van Jordanië lang duurt is op zichzelf niet doorslaggevend, te meer nu deze autoriteiten niet op voorhand te kennen hebben gegeven geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eiseres. De rechtbank overweegt daarbij dat verweerder met betrekking tot de afgifte van een lp afhankelijk is van de autoriteiten van Jordanië. Daarnaast heeft verweerder op 16 oktober 2023 een vertrekgesprek gevoerd met eiseres. De rechtbank benadrukt dat op eiseres de rechtsplicht rust Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer mee dat zij actieve en volledige medewerking aan haar uitzetting dient te verlenen. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat eiseres die medewerking verleent, bijvoorbeeld bij het verkrijgen van relevante documenten. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er zicht op uitzetting is en dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiseres. De beroepsgronden slagen daarom niet.
Belangenafweging
7. Over wat eiseres in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die, gelet op de duur van deze bewaring, voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. Wat betreft de verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 14 november 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:11952) overweegt de rechtbank dat geen sprake is van een vergelijkbare situatie, reeds omdat het aan die uitspraak ten grondslag liggende feitencomplex, te weten de duur van de bewaring, anders is dan in de onderhavige zaak. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
8. Voor zover eiseres heeft bedoeld te stellen dat verweerder een lichter middel (bijvoorbeeld een meldplicht) had moeten opleggen, verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van 2 oktober 2023 (in de zaak NL23.29105), overweging 6. In hetgeen eiseres thans heeft aangevoerd, ziet de rechtbank, mede gelet op verweerders toelichting in het verweerschrift van 24 oktober 2023 geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De beroepsgrond slaagt evenmin.
Ambtshalve toetsing
9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank niet van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van
N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
01 november 2023
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.