Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-10
ECLI:NL:RBDHA:2023:21223
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
1,058 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.23830 en NL23.23831
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser/verzoeker], V-nummer: [v-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. W.P.R. Peeters),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 augustus 2023 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling
2. Iemand die beroep instelt dient op grond van artikel 6:5 van de Awb in het beroepschrift de gronden van het beroep te vermelden. Als hier niet aan wordt voldaan, kan de rechtbank – na een herstelmogelijkheid – het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
3. Eiser heeft geen beroepsgronden vermeld in het beroepschrift van 21 augustus 2023. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser om deze reden bij bericht in het digitale dossier van 22 augustus 2023 verzocht om de gronden alsnog op uiterlijk 29 augustus 2023 in te dienen. Daarbij is aan eiser medegedeeld dat het beroep anders niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
4. Eiser heeft tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek geen beroepsgronden ingediend of laten indienen. Gesteld noch gebleken is dat in het geval van eiser sprake is van verschoonbare redenen voor termijnoverschrijding. De rechtbank ziet daarom aanleiding het beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
5. De rechtbank ziet zich, gelet hierop, slechts voor de vraag gesteld of het digitale zaakdossier aanleiding geeft om aan te nemen dat er sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest van het EHRM in de zaak Bahaddar tegen Nederland. Dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor, indien hetgeen is aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat gedwongen overdracht schending zou opleveren van artikel 3 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geen sprake.
Conclusie
6. De rechtbank zal het beroep dan ook met toepassing van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren, wegens het ontbreken van de beroepsgronden.
7. Omdat met deze uitspraak het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, bestaat er geen aanleiding meer tot het treffen van een voorlopige voorziening. Ook dat verzoek wordt niet-ontvankelijk verklaard.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van A.E. Wadman, griffier.
Dictum
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Zie artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Uitspraak van 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.