Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-21
ECLI:NL:RBDHA:2023:21211
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,662 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.37863
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. L. Hartog).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 december 2023 niet in behandeling genomen omdat volgens de staatssecretaris Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris. Eiser is niet verschenen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.¹ In dit geval heeft
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Nederland bij Frankrijk een verzoek om overname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser voert aan dat ten aanzien van Frankrijk niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser wijst daartoe op zijn ervaringen in Frankrijk. Het was voor hem problematisch was om zich verstaanbaar te maken, hij kreeg geen opvang en moest buiten op straat slapen, waarbij zijn documenten zijn gestolen. Verder vreest hij in zijn land van herkomst voor zijn vader.
6. De rechtbank stelt voorop dat de staatssecretaris in zijn algemeenheid ten aanzien van Frankrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit volgt ook onder meer uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juni 2021² en van 9 maart 2022³. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet kan.
7. De rechtbank oordeelt dat eiser hier niet in is geslaagd. Eiser heeft zijn verklaringen over wat hij heeft meegemaakt in Frankrijk namelijk niet onderbouwd. Maar nog afgezien daarvan, heeft hij geen eigen ervaringen met het asielsysteem in Frankrijk omdat hij daar geen verzoek om bescherming heeft ingediend. Eiser heeft ook niet onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt dat hij als Dublinterugkeerder in Frankrijk problemen zal ondervinden. De Franse autoriteiten hebben verder met het claimakkoord gegarandeerd dat zij zich zullen houden aan de internationale verplichtingen die voortvloeien uit verdragen en Europese richtlijnen die horen bij het behandelen van een asielaanvraag. Als eiser toch problemen ondervindt, bijvoorbeeld met het krijgen van toegang tot opvang, kan hij hierover zijn beklag doen bij de daartoe geëigende instanties dan wel bij de (hogere) Franse autoriteiten. Wat betreft het betoog van eiser dat hij in zijn land van herkomst vreest voor zijn vader, overweegt de rechtbank dat eiser zijn asielmotieven in Frankrijk moet aanvoeren. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 van de Dublinverordening
8. Eiser voert aan dat de staatssecretaris zijn asielaanvraag in behandeling had moeten nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. De procedure in Nederland heeft namelijk al lang geduurd. Verder zal overdracht naar Frankrijk tot allerlei spanningen en onzekerheden omtrent zijn verblijfsmogelijkheden leiden, terwijl hij in Nederland opvang, rust en veiligheid heeft.
9. De beroepsgrond slaagt niet. De aangevoerde omstandigheden, namelijk de duur van de procedure in Nederland en spanning en onzekerheid bij eiser na overdracht naar Frankrijk, zijn niet zodanig bijzonder en individueel dat de staatssecretaris hierin aanleiding had moeten zien om de asielaanvraag van eiser aan zich te trekken. Verder is, zoals hiervoor is overwogen, niet gebleken dat eiser in Frankrijk geen opvang zal krijgen of anderszins problemen zal ondervinden. De staatssecretaris had daarin dus ook geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag aan zich te trekken. Van een motiveringsgebrek of onzorgvuldige voorbereiding van het besluit is geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
2 ECLI:NL:RVS:2021:1256.
3 ECLI:NL:RVS:2022:715.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 december 2023
Documentcode: [documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.