Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-19
ECLI:NL:RBDHA:2023:20838
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
1,953 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/658559 / JE RK 23-2490 en C/09/656748 / FA RK 23-8222
Datum uitspraak: 19 december 2023
Beschikking van de kinderrechter
Ambtshalve benoeming bijzondere curator
naar aanleiding van een brief van de minderjarige
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[vader] ,hierna te noemen: de vader,wonende in [woonplaats] ,
[moeder] ,hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
Hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
Het procesverloop
De rechtbank heeft op 6 november 2023 een e-mail van de vader ontvangen, met als bijlage een brief van [minderjarige] aan de kinderrechter.
De kinderrechter heeft [minderjarige] uitgenodigd om te praten over haar brief. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 15 december 2023.
Feiten
Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.
De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij haar vader. Bij beschikking van 11 april 2023 van deze rechtbank is de hoofdverblijfplaats daar bepaald.
Bij beschikking van 14 maart 2023 van de kinderrechter in deze rechtbank is [minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling gesteld tot 14 maart 2024.
Bij beschikking van 20 juli 2023 van de kinderrechter in deze rechtbank is de zorgregeling, die bij beschikking van 11 april 2023 is vastgesteld, opgeschort voor de duur van zes maanden (te rekenen vanaf 20 juli 2023) en is bepaald dat de gecertificeerde instelling in die opschortingsperiode de regie krijgt over de herstart en opbouw van het contact tussen [minderjarige] en de moeder.
Beoordeling
[minderjarige] heeft aan de kinderrechter gevraagd om definitief te bepalen dat geen regeling meer zal gelden voor het contact tussen haar en haar moeder. Zij heeft dat gevraagd omdat de kinderrechter eerder heeft bepaald dat de regeling (week op-week af) gedurende zes maanden, tot 20 januari 2024, niet wordt uitgevoerd. [minderjarige] heeft nu een brief geschreven omdat zij tegen die datum opziet. Zij wil dat het na die datum definitief blijft zoals het nu is, namelijk dat zij bij haar vader woont en niet verplicht is om contact te hebben met haar moeder.
De zorgregeling is bij beschikking van 20 juli 2023 gewijzigd op grond van artikel 1:265g, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van het tweede lid van dat artikel kan de minderjarige van twaalf jaar en ouder de kinderrechter vragen die zorgregeling weer te wijzigen. Dat is een formele rechtsingang. [minderjarige] heeft verteld daarvan gebruik te willen maken. De kinderrechter stelt vast dat er op dit moment geen andere procedure bij de rechtbank is over [minderjarige] of het contact tussen [minderjarige] en haar moeder.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat [minderjarige] wordt geïnformeerd over en wordt geholpen bij de procedure bij de rechtbank. In de eerste plaats omdat zij minderjarig is en daarom op grond van de wet niet zelfstandig rechtshandelingen kan verrichten. In de tweede plaats omdat het belangrijk is dat [minderjarige] haar eigen mening kan geven en zich gehoord voelt, ook als één van de ouders of de gecertificeerde instelling alsnog besluit ook een procedure te starten over de zorgregeling.
De kinderrechter ziet daarom aanleiding om ambtshalve (uit eigen beweging) een bijzondere curator voor [minderjarige] te benoemen. Dit kan op grond van artikel 1:250 BW. Er moet dan sprake zijn van een conflict tussen het kind en de ouder(s). Het advies van de Kinderombudsman is om een bijzondere curator te benoemen als een kind in de knel zit. In het geval van [minderjarige] vindt de kinderrechter dat daarvan sprake is, omdat het gaat over het contact met haar moeder. De bijzondere curator kan [minderjarige] vertegenwoordigen en zowel binnen als buiten de rechtbank voor haar belangen opkomen. De kinderrechter zal mr. I.J. Pieters benoemen, die heeft aangegeven dat hij de bijzondere curator van [minderjarige] wil zijn.
Aan de bijzondere curator geeft de kinderrechter de opdracht om met [minderjarige] mee te denken over haar wens om de zorgregeling te wijzigen en haar te vertegenwoordigen in de procedure bij de rechtbank. In het bijzonder dient onderzocht te worden wat de authentieke mening van [minderjarige] is en welke zorgregeling in haar belang zou zijn. De bijzondere curator zal ook met de ouders en de jeugdbeschermer gesprekken moeten voeren om een compleet beeld te kunnen krijgen. De kinderrechter verzoekt de bijzondere curator om ‘de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 BW’ in acht te nemen.
Omdat de huidige zorgregeling is opgeschort tot 20 januari 2024 zal de kinderrechter vóór die datum een nieuwe zitting bepalen. De kinderrechter vraagt aan de bijzondere curator om, voor zover mogelijk, voor die zitting schriftelijk verslag te doen van zijn bevindingen.
Daarom zal nu als volgt worden beslist.
Dictum
De kinderrechter:
benoemt tot bijzondere curator: mr. I.J. Pieters, advocaat in Leiden,
over de minderjarige: [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
houdt deze zaak aan tot de zitting van 18 januari 2024 om 13:00 uur;
vraagt de griffier voor die zitting op te roepen:
de bijzondere curator, mr. Pieters;
de vader, [vader] ;
de moeder, [moeder] ;
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland;
[minderjarige] voor het kindgesprek;
verzoekt de bijzondere curator om, voor zover mogelijk, voorafgaand aan die zitting schriftelijk verslag te doen van zijn bevindingen tot zover;
gelast de griffier een afschrift van deze beschikking te sturen aan de belanghebbenden en de bijzondere curator.
Deze beschikking is gegeven op 19 december 2023 door mr. M.H. Rochat, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.T. Viezee als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.