Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-19
ECLI:NL:RBDHA:2023:20720
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,394 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.38363
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2023 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.P. Portegies),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).
Inleiding
1. Bij besluit van 30 november 2023 heeft de staatssecretaris aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd (het bestreden besluit). Eiser heeft tegen dit bestreden besluit beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2023 op zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het terugkeerbesluit en het inreisverbod aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het terugkeerbesluit en het inreisverbod zijn rechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft de staatssecretaris het juiste land van terugkeer genoemd in het terugkeerbesluit?
4. Eiser voert aan dat ten onrechte het land Marokko is opgenomen als land van terugkeer in het terugkeerbesluit. In elk geval is ten onrechte niet het geboorteland, Algerije, van eiser opgenomen. Eiser betoogt dat hij bij zijn asielaanvragen in Zwitserland zijn correcte nationaliteit heeft opgegeven. Ook heeft eiser bij alle in Zwitserland opgegeven aliassen vermeld dat hij uit Algerije komt en dat hij de Arabische (Algerijnse) taal machtig is. De tolk tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling sprak met een algemeen accent en niet specifiek Arabisch-Marokkaans, waardoor eiser de tolk begreep. Eiser stelt verder dat de staatssecretaris nader onderzoek had moeten doen naar zijn nationaliteit. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling namelijk verklaard dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft en hij heeft aangegeven dat hij zijn moeder in Algerije wil bellen. Hij heeft daartoe ook het telefoonnummer van zijn moeder opgegeven. Verder bevreemdt het proces-verbaal van bevindingen eiser, welke een de auditu verklaring bevat waar is gezegd dat eiser de Marokkaanse nationaliteit heeft. Aan dit proces-verbaal mag volgens eiser geen waarde gehecht worden, aangezien deze verklaring niet afkomstig is van eiser zelf. Tot slot geeft eiser aan dat hij slechts eenmaal, te weten bij zijn asielaanvraag in Nederland op 21 februari 2019, heeft aangegeven dat hij afkomstig is uit Marokko. Verder zijn er geen aanknopingspunten om te stellen dat eiser de Marokkaanse nationaliteit bezit. Omdat het terugkeerbesluit onrechtmatig is, komt de grondslag voor het inreisverbod te vervallen, aldus eiser.
4.1.
De rechtbank overweegt dat ingevolge het FMS arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 mei 2020 een land van terugkeer genoemd moet worden in het terugkeerbesluit. Naar het oordeel van de rechtbank is in het terugkeerbesluit Marokko terecht genoemd als land van terugkeer. Er bestaan namelijk voldoende aanknopingspunten om Marokko als land van terugkeer aan te wijzen. Eiser heeft tijdens het gehoor van zijn asielprocedure in 2019 namelijk verklaard dat hij is geboren in [plaats] en dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft. De rechtbank merkt verder op dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn nationaliteit. Tijdens het gehoor bij bewaring van 30 november 2023 heeft hij verklaard de Algerijnse nationaliteit te hebben. Ook tijdens zijn asielprocedure in Zwitserland heeft hij verklaard de Algerijnse nationaliteit te hebben. Zoals eiser betoogt bestaan er daarom ook aanknopingspunten om aan te nemen dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft. Deze zijn echter onvoldoende om de Marokkaanse nationaliteit geheel uit te sluiten. Aangezien Marokko niet uitgesloten kan worden, is enkel het vermelden van Marokko als land van terugkeer momenteel voldoende. Indien op een later moment de Marokkaanse nationaliteit wel geheel kan worden uitgesloten, kan de staatssecretaris het gebrek herstellen door een aanvullend terugkeerbesluit te nemen. Ook stelt de staatssecretaris ter zitting zich terecht op het standpunt dat er ook een meewerkplicht rust op eiser om te onderbouwen wat zijn nationaliteit is. Niet is gebleken dat eiser zijn gestelde Algerijnse nationaliteit heeft onderbouwd. Gezien bovenstaande heeft de staatssecretaris een geldig terugkeerbesluit genomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod van eiser rechtmatig zijn en de staatssecretaris geen schadevergoeding aan eiser hoeft te betalen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
ECLI:EU:C:2020:367.
ABRvS 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1155.