Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-28
ECLI:NL:RBDHA:2023:20718
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,218 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/4487
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2023 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. T. Eversteijn).
Procesverloop
In het besluit van 3 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder bepaald dat de uitkering die verzoekster op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) ontvangt, met ingang van 4 oktober 2020 stopt.
In het besluit van 4 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben aanvullende stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2023. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en een tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Na sluiting van het onderzoek is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat het onderzoek niet volledig is geweest en heropend dient te worden. De rechtbank heeft een psychiater als deskundige benoemd om verzoekster te onderzoeken. Op 12 september 2023 heeft de rechtbank het rapport van de deskundige ontvangen. Verzoekster heeft daarop gereageerd.
Verweerder heeft het bestreden besluit vervangen door het besluit van 31 oktober 2023. Met deze gewijzigde beslissing op bezwaar heeft verweerder het bezwaar van verzoekster alsnog gegrond verklaard en bepaald dat verzoekster vanaf 4 oktober 2020 recht heeft op een WIA-uitkering.
Verzoekster heeft het beroep ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Verweerder heeft meegedeeld geen bezwaar te hebben tegen een veroordeling in de proceskosten.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a Awb.
3. Verzoekster heeft het beroep ingetrokken omdat verweerder aan haar verzoek is tegemoet gekomen. De rechtbank zal daarom het verzoek om een proceskostenveroordeling toewijzen.
4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.092,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na verslag van het deskundigenonderzoek met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor van 1).
5. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 49,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek toe;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 2.092,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.