Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-22
ECLI:NL:RBDHA:2023:20688
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,114 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.31616
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).
Procesverloop
Bij besluit van 29 september 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
1. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Het procesbelang wordt door de rechtbank ambtshalve beoordeeld. Daarvoor is het volgende van belang.
2. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat, indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, in beginsel ervan dient te worden uitgegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als de vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert volgens de Afdeling dat de gemachtigde weet dat de vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
3. In deze zaak is van belang dat eiser aanvankelijk in Nederland asiel heeft aangevraagd en hij de uitkomst van die procedure niet heeft afgewacht. Eiser heeft Nederland verlaten zonder verweerder daarvan op de hoogte te stellen en is naar Duitsland afgereisd om daar andermaal een verzoek om internationale bescherming in te dienen. Verweerder is daarvan op de hoogte geraakt nadat hij op 1 december 2023 een terugnameverzoek heeft ontvangen van de Duitse autoriteiten op grond van artikel 23 van de Dublinverordening.
4. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat eiser geen belang heeft bij een uitspraak op zijn beroep. Met het vertrek uit Nederland en het indienen van een asielaanvraag in Duitsland heeft eiser te kennen gegeven dat hij geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk in Nederland gezochte bescherming. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd medegedeeld dat tot op heden geen bericht is ontvangen van de Duitse autoriteiten dat eiser inmiddels niet meer in Duitsland verblijft. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mocht verweerder er daarom vanuit gaan dat eiser zich nog steeds in Duitsland bevindt. De enkele omstandigheid dat eisers gemachtigde van een vriendin van eiser heeft vernomen dat eiser inmiddels weer in Nederland verblijft, maakt dat oordeel niet anders.
5. Het beroep van eiser dient om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579.