Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-04
ECLI:NL:RBDHA:2023:20664
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
729 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 20/891
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres], eiseres
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M.C.M van der Mark),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Eiseres heeft op 4 februari 2019 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op de aanvraag tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
Op 30 maart 2020 heeft verweerder alsnog op de aanvraag beslist.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag. Er is immers bij besluit van 30 maart 2020 alsnog op de aanvraag van eiseres beslist. Daarnaast is bij dat besluit aan eiseres ook een dwangsom toegekend. Het beroep van eiseres zal in zoverre dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
2. Omdat het beroep niet tijdig beslissen terecht is ingesteld, ziet de rechtbank wel aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van dat beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit. Ook moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 178 vergoeden.Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van
€ 418,50 (vierhonderdachttien euro en vijftig cent);
- bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ter hoogte van € 178 (honderdvierentachtig euro) moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.