Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-22
ECLI:NL:RBDHA:2023:20556
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
1,474 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.26439
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. de Haan),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.
Inleiding
Eiser heeft op 23 oktober 2021 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Bij uitspraak van 21 juni 2023 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle eisers beroep gericht tegen het uitblijven van een besluit van de staatssecretaris niet-ontvankelijk verklaard (NL22.24270).
Eiser heeft de staatssecretaris bij brief van 24 juli 2023, door de staatssecretaris ontvangen op 14 augustus 2023, in gebreke gesteld. Op 1 september 2023 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank het onderzoek vervolgens gesloten.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.
2. Op grond van artikel 6:12, eerste lid, van de Awb is het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet aan een termijn gebonden.
2.1.
Op grond van het tweede lid van artikel 6:12 van de Awb kan het beroepschrift worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
3. De staatssecretaris heeft eiser bij brief van 5 november 2021 medegedeeld dat er tijdelijk niet wordt beslist op eisers asielaanvraag. Deze termijn is onbetwist verlengd en eindigde volgens de staatssecretaris op 23 juli 2023. De rechtbank stelt vast dat de staatssecretaris, na het verstrijken van die termijn, de ontvangst van de ingebrekestelling van eiser en het vervolgens verstrijken van twee weken, niet heeft beslist. Het voorgaande maakt naar het oordeel van de rechtbank dat het onderhavige beroep ontvankelijk en gegrond is.
4. In artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien het beroep gegrond is en nog geen besluit bekendgemaakt is, de rechtbank bepaalt dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven.
4.1.
De rechtbank zal, gelet op de jurisprudentie ter zake (ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353) een rechterlijke dwangsom opleggen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b van de Awb bepalen dat de staatssecretaris alsnog een besluit bekend dient te maken op de asielaanvraag van eiser. In de uitspraak van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1560) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het 8+8-wekenmodel passend geacht. De rechtbank ziet geen aanleiding daarover in dit geval anders te oordelen. Dat betekent dat de staatssecretaris binnen zestien weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.
4.2.
Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat de staatssecretaris een (rechterlijke) dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden door de staatssecretaris. Daarbij geldt een maximum van € 7.500,-.
5. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde van € 837,- en een wegingsfactor 0,5).
6. De rechtbank komt gelet op de jurisprudentie ter zake (zie ook hiervoor onder 4.1: ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353) niet toe aan de vaststelling van de bestuurlijke dwangsom.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,-- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van
€ 7.500,--;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Tijnagel, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.