Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-19
ECLI:NL:RBDHA:2023:19918
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,025 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.20741
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A. van Midden).
Procesverloop
Bij besluit van 17 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL23.20742, op 19 september 2023 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Eiser betoogt – in het kort – dat Kroatië niet verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Hij heeft in eerste instantie een asielverzoek gedaan in Griekenland, waardoor dat land als verantwoordelijke lidstaat moet worden aangemerkt. Door de onmogelijkheid om vreemdelingen naar Griekenland over te dragen, moet Nederland de asielaanvraag aan zich trekken. Eiser verwijst hiervoor naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaat Amsterdam.
Verweerder heeft op de zitting betoogd dat Kroatië wel degelijk de verantwoordelijke lidstaat is. Verweerder heeft alle relevante informatie vermeld bij het claimverzoek en Kroatië heeft het verzoek geaccepteerd. Verder is de uitspraak waarnaar eiser heeft verwezen door de hoogste bestuursrechter vernietigd. Nu die zaak vergelijkbaar is met de zaak van eiser, bevestigt de uitspraak van de hoogste bestuursrechter juist dat in het geval van eiser Kroatië verantwoordelijk is.
Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van de hoogste bestuursrechter is de rechtbank van oordeel dat er geen reden is om niet van de door Kroatië geaccepteerde claim uit te gaan. Verweerder heeft alle relevante informatie bij het claimverzoek vermeld en de Kroatische autoriteiten hebben daarin geen reden gezien om van een claimakkoord af te zien. Daarmee is de verantwoordelijkheid van Kroatië vast komen te staan. Het beroep is daarom ongegrond.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2023 door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
NL23.20742.
Vreemdelingenwet 2000.
Verordening (EU) nr. 604/2013.
Zaaknummer NL23.14953.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2998.