Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-07
ECLI:NL:RBDHA:2023:19136
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,222 tokens
Dictum
[veroordeelde]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] ,
op dit moment in voorlopige hechtenis verblijvende voor een andere strafzaak in Penitentiaire [inrichting] ,
die bij vonnis van 20 augustus 2015 is veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: de PIJ-maatregel), welke PIJ voorwaardelijk is geëindigd op 10 december 2022.
De vordering
De officier van justitie mr. S. van Dongen heeft gevorderd dat de voorwaardelijk beëindigde PIJ-maatregel wordt verlengd met één jaar.
De procesgang
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in deze zaak, waaronder:
- de beschikking van deze rechtbank van 15 december 2022;
- het advies van Reclassering Nederland van 17 november 2023;
- de voortgangsverslagen van de reclassering van 13 maart 2023, 20 juni 2023 en 12 september 2023.
De rechtbank heeft op 23 november 2023 de vordering in raadkamer met gesloten deuren behandeld.
Verschenen en gehoord zijn:- mr. E.B. Jobse namens de veroordeelde;
- de [deskundigen] , werkzaam bij Reclassering Nederland.
De veroordeelde heeft afstand gedaan om te verschijnen.
Het advies
De deskundigen hebben in raadkamer kenbaar gemaakt dat het kader van de voorwaardelijk beëindigde PIJ-maatregel ontoereikend is gebleken om het recidiverisico te beperken. Het is in het afgelopen jaar niet goed gegaan. De veroordeelde is meerdere malen met politie en justitie in aanraking gekomen. Hij wordt verdacht van meerdere strafbare feiten. De PIJ-maatregel wordt niet gezien als het middel waarbij de risico’s kunnen worden beperkt, maar het biedt wel de mogelijkheid om de veroordeelde terug te kunnen plaatsen in een inrichting indien hij zich niet aan de voorwaarden houdt. In dat geval kan ook de mogelijkheid tot omzetting naar de maatregel terbeschikkingstelling worden onderzocht.
De standpunten.
De officier van justitie heeft de vordering gehandhaafd.
De raadsman van de veroordeelde heeft primair afwijzing van de vordering verzocht. Subsidiair kan de raadsman instemmen met toewijzing van de vordering.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat de termijn van de voorwaardelijk beëindigde PIJ-maatregel verlengd moet worden en wel met één jaar. De rechtbank overweegt daartoe dat de veroordeelde in het afgelopen jaar zich onvoldoende heeft gehouden aan de gestelde bijzondere voorwaarden. Uit de rapportages blijkt dat er nog steeds sprake is van een hoog recidiverisico en een hoog risico op letselschade. Dit is ook gebleken in het afgelopen jaar want de veroordeelde wordt verdacht van meerdere (ernstige) strafbare feiten. Hij verblijft daardoor nu ook in voorlopige hechtenis. Het doel om te resocialiseren is nog niet tot een goed einde gebracht. Door de termijn van de voorwaardelijk beëindigde PIJ-maatregel te verlengen, blijft er zicht op de veroordeelde. Daarnaast blijft de mogelijkheid tot terugplaatsing in een inrichting beschikbaar en eventueel ook de mogelijkheid tot onderzoek naar omzetting naar de maatregel terbeschikkingstelling.
Gebleken is dat de veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden. Los van het feit dat volgens de reclassering die voorwaarden de risico’s niet voldoende beperken c.q. hebben kunnen beperken, acht de rechtbank de kans klein dat de veroordeelde linksom of rechtsom nog zal kunnen profiteren van die bijzondere voorwaarden, mede ook gezien het verloop van het toezicht het afgelopen jaar. De rechtbank zal daarom de bijzondere voorwaarden zoals deze bij beschikking van 15 december 2022 zijn vastgesteld opheffen. De veroordeelde zal zich gedurende de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel alleen aan de van rechtswege geldende voorwaarden moeten houden.
Dictum
De rechtbank verlengt de voorwaardelijk beëindigde PIJ-maatregel met één jaar
en stelt daarbij de van rechtswege geldende voorwaarden dat de veroordeelde
zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit,
voor het vaststellen van zijn identiteit meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs laat zien,
en medewerking verleent aan het toezicht door Reclassering Nederland,
en heft de in dit kader aan de veroordeelde eerder opgelegde bijzondere voorwaarden op.
Deze beslissing is gegeven te Den Haag door
mr. E.J. Stalenberg kinderrechter, voorzitter,
mr. C.M. van der Kleijn, kinderrechter,
en mr. M.R. Aaron, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.J. van Heel griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2023.