Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-02-23
ECLI:NL:RBDHA:2023:19017
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,594 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.2138
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eisers], eisers
V-nummers: [nummer]
(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: (mr. A.J. Rossing).
Procesverloop
Bij besluiten van 23 januari 2023 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met een verzoek om voorlopige voorziening (NL23.2139) op 16 februari 2023 op zitting behandeld. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eisers zijn afkomstig uit Irak. Verweerder heeft de bestreden besluiten gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.
Geldigheid Spaanse visum
2. Eisers voeren aan dat er geen sprake is van een geldig visum en Spanje daarom niet verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
2.1.
Ingevolge artikel 12, tweede lid van de Dublinverordening (Vo 604/2013) is, voor zover hier van belang, wanneer een vreemdeling houder is van een geldig visum, de lidstaat die dit visum heeft afgegeven verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.
2.2.
Eiseres heeft tijdens het aanmeldgehoor van 21 oktober 2022 bevestigd dat bij de Spaanse ambassade een visum is aangevraagd en dat zij met dit visum op 12 juli 2022 naar Barcelona is gereisd. Verder is door eiseres naar voren gebracht dat zij bij een Spaanse familie heeft gewoond en dat zij op 5 september 2022 uit Spanje is vertrokken.
2.3.
Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen, voor zover eisers hebben verwezen naar het woordje ‘FALSE’ in het EU-VIS resultaat, dat dit geen betrekking heeft op de geldigheid van het visum. Hiermee wordt bedoeld of het visum in vertegenwoordiging van een andere lidstaat is afgegeven. In casu heeft de Spaanse ambassade het visum
afgegeven en is het visum niet via een andere lidstaat afgegeven. Daarnaast blijkt volgens verweerder uit het EU-VIS resultaat dat eiseres bij haar visumaanvraag haar paspoort en vingerafdrukken heeft afgegeven.
2.4.
De rechtbank overweegt dat eisers het betoog dat sprake is van een vals visum niet nader hebben onderbouwd. In wat eisers hebben aangevoerd, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake zou zijn van een vals visum. Bij de verdere beoordeling van het beroep gaat de rechtbank dan ook uit van de geldigheid van het door Spanje afgegeven visum.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
3. Eisers voeren aan dat ten aanzien van Spanje niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eisers betogen -met een verwijzing naar het "Country Report: Spanje 2020 (update van 25 maart 2021) van AIDA- dat in Spanje niet voldoende opvangplekken beschikbaar zijn voor asielzoekers en dat de situatie in Spanje is verslechterd.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat hij bij Spanje in beginsel van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat. Het Unierecht steunt immers op de aanname dat elke lidstaat met alle andere lidstaten een reeks gemeenschappelijke waarden deelt waarop de Unie berust en de lidstaten er onderling op kunnen vertrouwen dat de andere lidstaten deze waarden erkennen. Hierdoor is het aan eisers om hun standpunt dat ten aanzien van Spanje daarvan niet langer kan worden uitgegaan aannemelijk te maken met objectieve gegevens.
Eisers hebben met de door hen overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat verweerder bij Spanje ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Met betrekking tot het door eisers aangehaalde rapport wijst de rechtbank daarbij nog op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van
27 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:364.
Toegang tot medische zorg
4. Eisers hebben er verder op gewezen dat de zoon diabetes heeft. Omdat hij een insulinepen moet gebruiken is hij afhankelijk van medische zorg. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat Spanje dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden heeft als Nederland en daarom in staat moet worden geacht eventuele medische problemen goed te kunnen behandelen. Het ligt op de weg van eisers om aannemelijk te maken dat dit niet het geval is (vgl. de uitspraak van de ABRvS van 16 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1190). Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers hierin niet geslaagd.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. R.E.J. Jansen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.