Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-27
ECLI:NL:RBDHA:2023:18952
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,849 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.12378
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] , eisers
V-nummers: [V-nummer] , [V-nummer] , [V-nummer] en [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. C. Wezenbeek).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel verblijf bij familie- of gezinslid [referent] (referent).
1.1.
De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 19 juni 2019 afgewezen (primaire besluit). De staatssecretaris heeft het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard. Het beroep tegen dit besluit is door deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, op 10 maart 2021 gegrond verklaard. De staatssecretaris heeft naar aanleiding van die uitspraak op 26 juli 2021 een nieuw besluit genomen en het bezwaar van eisers wederom ongegrond verklaard. Ook tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld. Dit beroep is op 22 juni 2022 door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, gegrond verklaard. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de staatssecretaris op 30 maart 2023 een nieuw besluit genomen (bestreden besluit) en is het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit opnieuw ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.
2. De rechtbank heeft het beroep op 22 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, referent, N. Fictoor als tolk en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
Vrijstelling griffierecht
3. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van het betalen van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eisers hoeven dus geen griffierecht te betalen.
Inhoud bestreden besluit
4. Eisers hebben de Ethiopische nationaliteit en zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum 1] 2002, [geboortedatum 2] 2004, [geboortedatum 3] 2007 en [geboortedatum 4] 2010. Eisers hebben op 20 november 2018 een mvv-aanvraag voor het doel ‘verblijf bij familie- of gezinslid [referent] ’ ingediend. De staatssecretaris heeft deze aanvraag afgewezen, omdat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eisers en referent. Referent heeft tot 2010 samengewoond met eisers en heeft vanaf september 2010 tot augustus 2016 niet in de nabijheid van eisers gewoond, omdat hij ging studeren. Referent verbleef in die periode enkel tijdens vakanties en in de weekenden bij het gezin. Volgens de staatssecretaris is niet gebleken dat referent in die periode een bijzondere ouderrol op zich heeft genomen of kostwinner is geweest voor het gezin. Ook is niet gebleken dat de vader en moeder van eisers, ondanks hun medische problemen en het feit dat hun vader veel in detentie zat, niet meer voor eisers konden zorgen. Daarbij komt dat referent heeft verklaard dat hij sinds 11 augustus 2015 geen direct contact meer heeft gehad met eisers. Volgens de staatssecretaris kan aan de door eisers overgelegde support letter niet veel waarde worden gehecht, omdat het geen formeel document is. De staatssecretaris heeft een belangenafweging verricht in het kader van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze belangenafweging is uitgevallen in het nadeel van eisers.
5. Eisers zijn het niet eens met dit besluit en hebben beroepsgronden ingediend tegen verschillende overwegingen van de staatssecretaris. De rechtbank zal deze beroepsgronden hierna bespreken.
Hechte persoonlijke banden
6. Eisers voeren aan dat er sprake is van hechte persoonlijke banden met de referent. De vader van eisers was vanwege zijn politieke activiteiten en problemen met de autoriteiten niet vaak thuis, hij zat vaak in detentie en zorgde niet voor de opvoeding en verzorging van zijn kinderen. Verder was en is de moeder van referent en eisers ziek. Van referent werd verwacht dat hij als oudste zoon van het gezin de zorg op zich nam. Dat heeft hij ook gedaan. Referent zorgde voor eten, schone kleren en dat eisers op tijd naar school gingen. Als referent niet thuis was hield hij contact met eisers. Als dat niet direct mogelijk was, liet hij een bericht voor ze achter. Referent had als oudste zoon van het gezin de eindverantwoordelijkheid en een coördinerende rol voor de opvoeding en verzorging van eisers. Dat wordt bevestigd door de support letter. Deze brief bevestigt dat referent toen hij in Ethiopië woonde degene was die voor eisers zorgde, in hun levensonderhoud voorzag en deze verzorging ook heeft voortgezet toen hij was vertrokken. Deze verklaring bevat hetzelfde stempel als de echt bevonden geboorteaktes van eisers. Dit document vormt daarom een sterke onderbouwing voor de verantwoordelijke rol die referent heeft vervuld in de opvoeding en verzorging van eisers. Deze rol ontstijgt de gebruikelijke omgang tussen broers en zussen. De rol van referent binnen het gezin was niet die van broer, maar van vader en kostwinner. Referent runde ook de winkel, bewerkte de grond en zorgde hiermee voor het levensonderhoud van eisers. Nu in Nederland probeert referent eisers financieel te ondersteunen, te motiveren door te gaan met hun leven, advies te geven en te helpen waar hij kan. Referent is altijd zo betrokken geweest bij de opvoeding en verzorging van eisers dat hij in feite als pleegvader van eisers te kwalificeren is.
7. Volgens het beleid van de staatssecretaris wordt gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen een minderjarig kind en zijn broer of zussen aangenomen als sprake is van hechte persoonlijke banden. De staatssecretaris heeft richtlijnen opgesteld om te beoordelen of hier sprake van is. Deze zijn neergelegd in werkinstructie 2020/16. In de werkinstructie staat dat hechte persoonlijke banden een begrip is van feitelijke aard. Of er sprake is van hechte persoonlijke banden moet altijd worden afgeleid uit een zorgvuldige en gemotiveerde weging van de feitelijke situatie. Een omstandigheid die kan duiden op hechte persoonlijke banden is bijvoorbeeld samenwoning. Ook als de relatie de gebruikelijke omvang ontstijgt, kan dit duiden op hechte persoonlijke banden.
8. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen referent en eisers. De staatssecretaris heeft alle relevante omstandigheden in de beoordeling betrokken. De staatssecretaris heeft daarbij veel waarde mogen hechten aan het feit dat referent tot 2010 met eisers heeft samengewoond en daarna enkel in het weekend en in vakanties bij eisers was. Dat de vader van eisers niet veel thuis was en hun moeder ziek was en is, is onvoldoende om aan te nemen dat er wel sprake is van hechte persoonlijke banden tussen referent en eisers. Het is namelijk niet gebleken dat referent voor 2010 en in de periodes dat hij wel thuis was de ouderlijke rol op zich heeft genomen, dan wel dat hij financieel verantwoordelijk was voor het gezin. Daarbij heeft de staatssecretaris mogen overwegen dat op het moment dat referent niet meer bij eisers woonde, de ouders van eisers nog wel bij ze woonden en zij de zorgtaken voor eisers op zich hebben genomen. Niet is gebleken dat de ouders van eisers dat niet hebben gedaan of dat zij daartoe niet in staat waren. Aan de support letter heeft de staatssecretaris niet de waarde hoeven hechten die eisers daaraan gehecht willen zien. Dit document geeft enige indicatie van de rol van referent in het gezin, maar biedt - tegen de achtergrond van wat de staatssecretaris verder heeft overwogen - onvoldoende grond om te oordelen dat wel sprake is van hechte persoonlijke banden. Daarbij komt dat de support letter geen formeel document is waaruit op basis van objectieve gegevens blijkt dat referent daadwerkelijk het gezag of de zorg over eisers had en/of heeft. Dat referent volgens eisers cultureel gezien als eindverantwoordelijke wordt gezien betekent op zichzelf nog niet dat ook sprake is van hechte persoonlijke banden. Dat moet worden beoordeeld op basis van de feitelijke situatie. Eisers hebben verder niet onderbouwd dat referent hun pleegvader is. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging
9. Eisers stellen dat de belangenafweging van de staatssecretaris geen blijk geeft van een ‘fair balance’ tussen het belang van eisers en referent bij het uitoefenen van gezinsleven in Nederland en het belang van de Nederlandse staat. Het belang van de Nederlandse staat om gezinshereniging te weigeren is voornamelijk gelegen in het economisch welzijn van Nederland. Dit belang is volgens eisers niet zwaar genoeg. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)1 volgt dat het economisch belang in bepaalde gevallen kan worden aangenomen als rechtvaardiging voor de weigering om verblijf toe te staan. In de zaken waarin dit speelde heeft het EHRM veel waarde gehecht aan het feit dat de referent geen inspanningen heeft verricht om aan het werk te komen en is
1. Zie het arrest van 20 oktober 2005, ECLI:CE:ECHR:2005:1020DEC000887604 ([A] e.a. tegen Nederland);het arrest van 26 april 2007, ECLI:CE:ECHR:2007:0426JUD001635103 [B] tegen Nederland) en het arrest van 11 juni 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0611JUD005216609 ([C] tegen Zwitserland).
expliciet overwogen dat het economisch belang één van de factoren is die moet worden meegenomen in de belangenafweging.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van de staatssecretaris in stand blijft. Eisers krijgen daarom geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
27 september 2023
Documentcode: [documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.