Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-01
ECLI:NL:RBDHA:2023:18651
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,673 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.27218
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
van Tunesische nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder van 31 augustus 2023 waarbij verweerder aan eiser heeft medegedeeld dat zijn recht op tijdelijke bescherming, als bedoeld in Richtlijn 2001/55/EG (de Richtlijn) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 (het Uitvoeringsbesluit), eindigt op 4 september 2023.
1.1.
Op 1 juni 2023 is de asielaanvraag buiten behandeling gesteld. Op 30 juni 2023 heeft verweerder zijn voornemen kenbaar gemaakt om de tijdelijke bescherming van eiser op 4 september 2023 te beëindigen. Eiser heeft zijn zienswijze ingebracht. Vervolgens is het bestreden besluit genomen, waartegen het beroep zich richt.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Op 17 november 2023 zijn aanvullende gronden ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2023 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben de gemachtigden van eiser en verweerder deelgenomen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de beëindiging van de tijdelijke bescherming aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Bij brief van 24 februari 2023 heeft eiser aan verweerder bericht dat hij is getrouwd met een Oekraïense vrouw en dat hij op basis van dit huwelijk een verlenging van zijn verblijf in Nederland wil aanvragen. Een huwelijkscertificaat is bijgevoegd. Na het door verweerder uitgebrachte voornemen is door eiser, in een op 31 augustus 2023 ingediende zienswijze, naar voren gebracht dat hij nog steeds onder de werking van de Richtlijn valt, omdat hij in Oekraïne samenwoonde met zijn gezinsleden met de Oekraïense nationaliteit en hij een Oekraïense echtgenote heeft.
3.1.
In het bestreden besluit is enerzijds overwogen dat “de argumenten uit de zienswijze betrokken zijn bij de beoordeling” en anderzijds dat “er geen aanleiding bestaat om anders te oordelen dan in het voornemen is verwoord, omdat er geen zienswijze is ingediend.”
3.2.
In de op 3 oktober 2023 ingediende gronden van beroep is door eiser herhaald dat hij in Oekraïne samenwoonde met gezinsleden van de Oekraïense nationaliteit en hij een Oekraïense echtgenote heeft.
3.3.
In het op 31 oktober 2023 ingediende -algemeen geformuleerde- verweerschrift is vermeld dat voor zover in een besluit tot beëindiging van de tijdelijke bescherming in de individuele zaak een op de vreemdeling toegespitste beoordeling wordt verricht, die beoordeling ziet op de vraag of terecht is vastgesteld dat de tot dan toe genoten tijdelijke bescherming was gebaseerd op het gegeven dat de derdelander beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning. Verder is vermeld dat als dat het geval is, de derdelander hoogstens nog aanspraak kan maken op voortduring van de tijdelijke bescherming als hij kan worden aangemerkt als gezinslid van een tijdelijk beschermde als bedoeld in artikel 3.9a, tweede lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000.
Op het hiervoor genoemde standpunt van eiser is niet ingegaan.
3.3.
Op 2 november 2023 heeft de rechtbank aan verweerder verzocht een reactie te geven op de aangedragen gronden van beroep. Een reactie is vervolgens uitgebleven.
3.4.
Naar het oordeel van de rechtbank ontbeert het besluit een deugdelijke motivering, omdat niet op voornoemd, voor het besluit ingenomen, standpunt van eiser is ingegaan. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.5.
Eiser is niet verschenen op zitting en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De gemachtigde van eiser heeft -samengevat- naar voren gebracht dat er geen standpunt is ingenomen waarop kon worden gereageerd. Als dat wel was gebeurd had hij nadere informatie kunnen inwinnen. Om die reden is ook verzocht niet zelf te voorzien.
3.6.
De rechtbank leest in de brief van 24 februari 2023 dat eiser hoopt op een spoedige reactie over het door hem ingenomen standpunt. Verweerder dient alvorens een nieuw besluit te nemen eerst schriftelijk een standpunt aan (de gemachtigde van) eiser kenbaar te maken en eiser in de gelegenheid te stellen hierop te reageren.
4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.