Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-12-01
ECLI:NL:RBDHA:2023:18629
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,535 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.31677
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Sierra Leoonse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. U.H. Hansma),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 5 oktober 2023 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 1 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen om schriftelijk te reageren op informatie die namens eiser ter zitting naar voren is gebracht. Bij bericht van 10 november 2023 heeft verweerder van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek op 28 november 2023 gesloten, nu partijen toestemming hebben gegeven om een nadere zitting achterwege te laten.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Mensenhandel
5. Namens eiser is het volgende - samengevat - aangevoerd. Verweerder heeft ten onrechte geen reguliere verblijfsvergunning (“humanitair tijdelijk”) verstrekt. Daarover loopt nog een procedure, waarin is aangevoerd dat het slechts aan het optreden van de politie is te wijten dat het M-55 formulier niet op tijd is verzonden aan de IND, waardoor dat formulier niet bij de IND is gearriveerd voordat het bericht voortijdige beëindiging werd uitgedaan door het OM. Onder de gegeven omstandigheden is duidelijk geworden dat er een zeer serieuze kans bestaat dat eiser alsnog een B8-vergunning krijgt. In dat geval wordt Nederland onmiddellijk verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek op de voet van artikel 12 van de Dublinverordening en daarmee is duidelijk dat het verloop van de reguliere procedure in potentie relevant is voor de besluitvorming in de Dublinprocedure. Dit is onvoldoende betrokken bij het besluit om eiser over te dragen aan Frankrijk.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat het mogelijke slachtofferschap mensenhandel in een daarop betrekking hebbende procedure aan de orde moet worden gesteld. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 25 februari 2021 komt verweerder in een Dublinprocedure niet toe aan de vraag of een vreemdeling in aanmerking komt voor een vergunning als bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb2000. De aangifte van mensenhandel heeft immers geen invloed op de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van het asielverzoek. Nu de Dublinprocedure een afzonderlijke procedure betreft die losstaat van de procedure betreffende de aangifte mensenhandel en het in onderhavige procedure enkel gaat om vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is, heeft verweerder het onderhavige besluit mogen nemen. Een (eventuele) verlening van een B8-vergunning heeft mogelijk gevolgen voor eisers verblijfsrecht in Nederland, maar naar het oordeel van de rechtbank maakt dit de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat voor eisers asielaanvraag niet anders. Hieruit volgt ook dat de vraag of iemand als slachtoffer van mensenhandel moet worden beschouwd en als zodanig moet worden behandeld, geen rol speelt bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat er onvoldoende afstemming heeft plaatsgevonden tussen de beide procedures.
Claimverzoek
6. Verder is aangevoerd dat niet Frankrijk maar Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielverzoek, nu hij eerst in Italië een asielaanvraag heeft gedaan en daarna in Frankrijk. De rechtbank volgt dit standpunt niet en oordeelt daartoe als volgt. Frankrijk heeft (tweemaal) een asielverzoek van eiser afgewezen en voldoet derhalve als verantwoordelijke lidstaat met het claimakkoord aan de uit artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening volgende verplichting om eiser terug te nemen. Voorts acht de rechtbank van belang dat verweerder de Franse autoriteiten in het claimverzoek er op heeft gewezen dat eiser eerder in Italië asiel heeft aangevraagd en dat Frankrijk met het terugnameverzoek heeft ingestemd. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank geen concrete aanknopingspunten aangedragen die erop wijzen dat Frankrijk zijn verantwoordelijkheid voor de behandeling ten onrechte heeft vastgesteld. De enkele stelling dat eiser op een eerder moment in Italië is binnengekomen en aldaar ook een asielverzoek heeft ingediend, maakt dat niet anders.
Veilig land van herkomst
7. Uitganspunt is dat verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Frankrijk mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit volgt ook uit de uitspraken van de Afdeling van 16 juni 2021, 9 maart 2022 en 2 augustus 2023. Het is aan eiser om te onderbouwen dat dit anders is en met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van EU-Handvest omdat de Franse autoriteiten hun internationale verplichtingen niet nakomen, bijvoorbeeld door tekortkomingen bij de asielprocedure, de opvang of de medische zorg. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken; zie het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat in zijn geval niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De verwijzing naar het AIDA-rapport “Update 2022” is hiervoor onvoldoende. Hieruit kan weliswaar worden opgemaakt dat er problemen zijn (geweest) met de opvang in Frankrijk, maar niet is gebleken dat die problemen dermate structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij in Frankrijk niet terecht kan voor mogelijke noodzakelijke medische behandelingen. De Afdeling heeft in de hiervoor onder 7. genoemde uitspraken geoordeeld dat ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het hiervoor genoemde AIDA-rapport is bij de uitspraak van 2 augustus 2023 betrokken. De Franse autoriteiten hebben bovendien middels het claimakkoord gegarandeerd het verzoek om internationale bescherming van eiser in behandeling te nemen. Hierbij is van belang dat de verdragen en Europese richtlijnen ook gelden ten aanzien van de asielprocedure in Frankrijk. Als eiser in Frankrijk wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, in de opvangvoorzieningen, of anderszins, ligt het op zijn weg hierover bij de Franse autoriteiten te klagen. Niet is gebleken dat klagen bij de Franse autoriteiten niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verordening (EU) Nr. 604/2013.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2021:464.
Vreemdelingenbesluit.
ECLI:NL:RVS:2021:1256.
ECLI:NL:RVS:2022:715.
ECLI:NL:RVS:2023:2940.
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
ECLI:EU:C:2019:2018.