Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-30
ECLI:NL:RBDHA:2023:18626
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,555 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ArnhemBestuursrecht
zaaknummer: NL22.3139
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 november 2023 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. K. Jansen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER.
1.1.
De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 29 oktober 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 11 februari 2022 op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1967. Hij heeft op 15 juli 2021 (voor de vierde keer) een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER (voor verblijf bij echtgenoot [naam], hierna referente). Daarbij heeft eiser foto’s, bankafschriften over 2020/2021 en screenshots overgelegd.
Eiser heeft eerder meerdere malen eenzelfde aanvraag ingediend tot afgifte van een
document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze zijn bij de besluiten van 16 juli 2015, 30 augustus 2016 en 28 oktober 2019 afgewezen. Wat betreft de eerste aanvraag is deze afgewezen omdat er naar aanleiding van de hoorzitting van 29 juni 2015 is geconstateerd dat er sprake was van een schijnrelatie/huwelijk tussen eiser en referent. Bij de afwijzing van de opvolgende aanvragen is verwezen naar de eerdere besluiten, omdat niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden.
Eiser heeft telkens doorgeprocedeerd tot aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zonder succes. Op 27 februari 2020 heeft eiser ook een inreisverbod gekregen voor de duur van twee jaar.
3. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken van nieuwe feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel behoren te leiden. Hij wijst de aanvraag af onder verwijzing naar de afwijzende besluiten van 16 juli 2015, 30 augustus 2016 en 28 oktober 2019.
Schijnhuwelijk en bewijslast
4. Eiser voert ten eerste aan dat ten onrechte wordt beoordeeld dat eiser een schijnhuwelijk heeft met referente. De bewijslast ligt niet bij eiser, maar bij de staatssecretaris.
4.1.
De aanvraag waar het om gaat betreft een herhaalde aanvraag en daarom is artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. In rechte staat vast dat sprake is van een schijnhuwelijk. De staatssecretaris stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat eiser door middel van objectieve stukken moet aantonen dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat er thans aan het huwelijk een oprechte relatie ten grondslag ligt en feitelijke invulling wordt gegeven aan het huwelijk. De beroepsgrond, dat de bewijslast op de staatssecretaris rust, slaagt gelet op het voorgaande niet.
Rechtens relevante novum
5. Eiser voert aan dat hij bij de aanvraag van 15 juli 2021 nieuwe stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat geen sprake (meer) is van een schijnhuwelijk. Deze stukken dateren van na het besluit van 28 oktober 2019 en waren destijds niet bekend. Er is dan ook sprake van novum. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2014. De staatssecretaris had moeten motiveren waarom de voortdurende samenwoning en de verklaring van vrienden, de leidinggevende en referent geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn in de zin van artikel 4:6 van de Awb.
5.1.
Uit de meest recente jurisprudentie van de Afdeling vloeit het volgende voort. Uitgangspunt is dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo'n aanvraag inwilligen of afwijzen. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit. Een bestuursorgaan mag dit ook als de rechtzoekende aan zijn verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd. Het bestuursorgaan kan er ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook nog steeds voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit.
Als het bestuursorgaan - overeenkomstige - toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.
Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.
5.2.
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een hernieuwde toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.
5.3.
De staatssecretaris heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat uit hetgeen eiser tijdens de herhaalde aanvraag heeft overgelegd niet volgt dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Ten eerste is niet ten onrechte overwogen dat de overgelegde foto’s geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, aangezien soortgelijke foto’s al bij de eerdere aanvragen zijn overgelegd en deze hebben niet tot een ander oordeel geleid zoals gemotiveerd in het besluit van 16 juli 2015. Ten tweede is terecht overwogen dat de overgelegde bankafschriften geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, omdat hieruit niet volgt dat sprake is van een oprechte relatie tussen eiser en referente. Ten derde is ten aanzien van de overgelegde screenshots van eisers facebookpagina eveneens terecht overwogen dat hieruit op geen enkele wijze blijkt dat sprake is van een oprechte relatie tussen eiser en referente en daarom niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden kunnen worden aangemerkt. De nieuwe stukken die eiser in beroep heeft overgelegd, liggen niet ter beoordeling voor bij de bestuursrechter. Zoals uit rechtsoverweging 5.1. volgt, gaat het enkel om de aangevoerde nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de bestuurlijke fase. De beroepsgrond slaagt niet.
Rechtspraak over simultaan horen
6. In het aanvullend beroepschrift verwijst eiser nog naar een recente uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2023. Hieruit volgt dat de staatssecretaris geen wettelijke bevoegdheid had om een simultaan gehoor af te leggen en hetgeen hieruit naar boven is gekomen kan worden aangemerkt als onrechtmatig verkregen bewijs. Ter zitting stelt de gemachtigde dat sprake is van EU-recht en rechtstreekse werking en dat de staatssecretaris gelet daarop de aanvraag opnieuw had moeten beoordelen en dat sprake is van een ex nunc toetsing.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep op deze uitspraak van de Afdeling niet om de volgende redenen. Ten eerste is gelet op de ex tunc toetsing door de bestuursrechter van belang dat deze uitspraak er nog niet was ten tijde van het bestreden besluit.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J.H. Boerhof, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. Voors, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2014:3755.
Uitspraak van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131.
ECLI:NL:RVS:2023:2357.
Zie het arrest van het Hof van 13 januari 2004, Kühne & Heitz N.V, ECLI:EU:C:2004:17.