Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-23
ECLI:NL:RBDHA:2023:18356
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,904 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.31743
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam]
V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.C.M.E. Schijvenaars),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. L. Hartog).
Procesverloop
Bij besluit van 6 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Polen daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 17 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Er was geen tolk aanwezig.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Jemenitische nationaliteit te hebben. Hij heeft asiel aangevraagd in Nederland op 17 juni 2023. Uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eiser eerder asiel heeft aangevraagd in Polen.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Volgens verweerder is Polen daarvoor namelijk verantwoordelijk, aangezien eiser eerder in Polen een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 8 augustus 2023 heeft verweerder daarom de Poolse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. Polen heeft dit verzoek op 10 augustus 2023, op grond van artikel 18 eerste lid aanhef en onder c, van de Dublinverordening, aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
3. Eiser voert aan dat verweerder ten aanzien van Polen ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser verwijst in dat verband naar een informatiebrief van Vluchtelingenwerk Nederland van 8 juli 2023 waaruit blijkt dat het onduidelijk is of eiser zijn eerdere asielprocedure in Polen kan vervolgen, of dat hij een opvolgende aanvraag moet indienen. Bij een opvolgende aanvraag moeten vreemdelingen volgens de Poolse wet nieuwe (asiel)gronden inbrengen. Verder blijkt uit deze informatie dat Dublinterugkeerders kunnen worden vastgehouden in detentiecentra en dat een Duitse rechter een Dublinoverdracht heeft geweigerd vanwege de tekortkomingen van de bewaring in Polen. Daarnaast heeft eiser medische zorg nodig. Eiser vreest daarom voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM gelet op de gebrekkige voorzieningen in de detentiecentra in Polen. Subsidiair verzoekt eiser om aanhouding van het beroep in afwachting van de beantwoording door het Hof van Justitie van de prejudiciële vragen over de (on)deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
4. Niet in geschil is dat Polen in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van eiser. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Polen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet van kan worden uitgegaan. Hiervoor geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid. Eiser is hierin niet geslaagd.
5. De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat de Poolse autoriteiten het verzoek tot terugname van eiser hebben geaccepteerd, waarmee zij tevens hebben gegarandeerd dat zij de aanvraag zullen behandelen in overeenstemming met de voor Polen geldende internationale verplichtingen, zoals als neergelegd in - onder meer - de Procedurerichtlijn. Met de door eiser overgelegde informatiebrief van Vluchtelingenwerk Nederland heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hier niet langer op mag worden vertrouwd. Uit wat eiser tijdens het aanmeldgehoor Dublin heeft verklaard kan worden afgeleid dat eiser in Polen nooit zijn asielmotief kenbaar heeft gemaakt. De rechtbank ziet niet in waarom eiser dat na zijn terugkeer naar Polen niet alsnog kan doen. In dat geval is er geen grond voor de vrees dat een (opvolgende) asielaanvraag in Polen niet in behandeling zal worden genomen.
6. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat Dublinterugkeerders in Polen systematisch in strijd met het recht worden gedetineerd. De informatie van Vluchtelingenwerk waar eiser in dit kader naar heeft verwezen bevat daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Verder ligt het op de weg van eiser om over onrechtmatige detentie en de detentieomstandigheden te klagen bij de (hogere) Poolse autoriteiten. Het is niet gebleken dat klagen op voorhand zinloos of onmogelijk is.
7. Verweerder heeft er op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit mogen gaan dat eiser in Polen voor zijn klachten medisch kan worden behandeld. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat dit uitgangspunt onjuist is. Daarbij komt dat eiser zelf heeft verklaard dat hij naar een ziekenhuis is gebracht in Polen. Indien dat nodig blijkt, kan zorg worden gedragen voor de overdracht van het medisch dossier van eiser aan de Poolse autoriteiten en kan de vereiste medicatie aan eiser worden meegegeven.
8. Voor zover eiser in de beroepsgronden verwijst naar signalen over pushbacks die in Polen plaatsvinden, stelt de rechtbank vast dat eiser geen concrete aanknopingspunten heeft aangedragen om aan te nemen dat ook Dublinterugkeerders in Polen te maken zullen krijgen met pushbacks. Er bestaat daarom geen aanleiding voor de conclusie dat eiser vanwege de pushbacks niet aan Polen kan worden overgedragen.
Verzoek om aanhouding
9. De rechtbank ziet, gelet op het oordeel zoals hiervoor verwoord, geen aanleiding om de behandeling van het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen die de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch op 15 juni 2022 heeft gesteld, ECLI:NL:RBDHA:2022:5724, over de (on)deelbaarheid van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
10. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b van de Dublinverordening (Verordening (EU) Nr. 604/2013).
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Zie hiervoor het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Jawo van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218).
Richtlijn 2013/32/EU.