Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-29
ECLI:NL:RBDHA:2023:18341
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
2,871 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.33597 en NL23.33598.
uitspraak van de enkelvoudige kamer/voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).
Inleiding
1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Ook wordt uitspraak gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening dat eiser heeft ingediend.
1.1
Eiser heeft op 1 september 2022 een asielaanvraag ingediend.
1.2
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 18 oktober 2023 deze asielaanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.3
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep (NL23.33597) ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft eiser de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening (NL23.33598) te treffen.
1.4
Het beroep en de voorlopige voorziening zijn op 16 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, G. Neng als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedag] 1988 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiser heeft aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd dat hij in 2009 Nigeria heeft moeten verlaten vanwege ontstane problemen rondom een stuk grond van zijn overleden vader en vanwege het feit dat eiser in 2007 een stembus heeft gestolen tijdens de verkiezingen in Nigeria.
Wat heeft verweerder besloten?
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen als gevolg van de verkiezingen;
Ondervonden problemen vanwege een stuk grond van de vader van eiser;
De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser zijn geloofwaardig geacht. De gestelde problemen vanwege het stuk grond van de overleden vader van eiser zijn door verweerder ongeloofwaardig geacht en daarom niet verder getoetst op zwaarwegendheid. De problemen als gevolg van de verkiezingen zijn weliswaar geloofwaardig geacht, maar nu niet is gebleken dat eiser vanwege zijn politieke overtuiging in negatieve belangstelling staat bij de Nigeriaanse autoriteiten, is geen sprake van gegronde vrees in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom geen gebruik gemaakt is van een registertolk bij het nader gehoor van eiser. Ook heeft verweerder de problemen van eiser vanwege het stuk grond van zijn vader ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Het is namelijk niet aan eiser tegen te werpen dat hij destijds nog jong was en dat hij na de ontstane problemen nog enkele jaren in Nigeria geleefd heeft. Dat de broer van eiser geen problemen ondervonden heeft is daarnaast verklaarbaar, omdat de broer in een psychiatrische instelling verblijft en daardoor beschermd is tegen deze bedreigingen. De problemen vanwege de verkiezingen zijn ten onrechte onvoldoende zwaarwegend geacht. Eiser verwijst hierbij ten eerste naar het arrest S.A. tegen Nederland. Eiser heeft daarnaast voldoende inzichtelijk gemaakt dat hij gevaar loopt, omdat hij verklaard heeft dat er posters in politiebureaus hingen waar hij als gezocht werd aangemerkt en hij - net zoals collega-activisten die terugkeerden – nog steeds problemen kan ondervinden vanwege deze vroegere politieke activiteiten. Tot slot heeft verweerder ten onrechte geen reguliere verblijfsvergunning vanwege humanitaire gronden aan eiser verleend, nu eiser hier in Nederland familie- en gezinsleven heeft met zijn kind en verweerder bovendien kan beschikken over informatie van de moeder van eisers kind, omdat zij ook een asielprocedure in Nederland heeft lopen. Het terugkeerbesluit is vanwege deze persoonlijke omstandigheden onevenredig.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Geen registertolk
5.1
De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de vermelding op het voorblad en de motivering op pagina 2 van het gehoorverslag voldaan heeft aan de motiveringseis van artikel 28, vierde lid, van de Wbtv. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat het gehoor niet met behulp van een registertolk Ishan is afgenomen, omdat er geen tolken met een registervermelding in deze taal beschikbaar zijn. De rechtbank ziet geen reden om aan de juistheid van deze door verweerder verstrekte informatie te twijfelen, nu eiser niet met argumenten heeft aangetoond waarom dit anders zou zijn. Nu uit de antwoorden van eiser in het nader gehoor verder ook niet blijkt dat hij de tolk niet goed heeft verstaan of dat eiser onvoldoende op de gestelde vragen heeft kunnen antwoorden vanwege de kwaliteit van de tolk, is de rechtbank van oordeel dat niet gebleken is dat eiser door het horen met een niet-registertolk in zijn belangen is geschaad.
Problemen vanwege het stuk grond van vader ongeloofwaardig
5.2
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de problemen vanwege het stuk grond van zijn overleden vader niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Redengevend daarvoor is dat eiser deze gestelde problemen niet met bewijsstukken of anderszins overtuigende argumenten heeft onderbouwd. Verweerder heeft in dat kader aan eiser mogen tegenwerpen dat hij zowel het eigendom van dit stuk grond als het overlijden van zijn vader op geen enkele wijze met stukken heeft aangetoond. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij in Nigeria problemen heeft gehad vanwege het erven van dit stuk grond van zijn vader. De enkele verklaring dat eiser bedreigd wordt door zijn familieleden, omdat zij ook een deel van dit stuk grond opeisen, maakt niet dat daarmee een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM aannemelijk is gemaakt. Verweerder heeft daarbij in het nadeel van eiser mogen meewegen dat de gestelde problemen speelde toen eiser nog op jeugdige leeftijd was, dat eiser na de dood van zijn vader in 2004 in ieder geval nog vijf jaar in Nigeria heeft verbleven en dat de broer van eiser die in Nigeria woont geen problemen heeft ondervonden vanwege het familieconflict rondom het stuk grond. Dat de broer van eiser niks te vrezen heeft in Nigeria omdat hij opgenomen is een psychiatrische instelling kan geen afbreuk doen aan dit oordeel, nu eiser deze stelling niet met stukken heeft onderbouwd. De beroepsgronden slagen niet.
Problemen vanwege de verkiezingen
5.3
Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat geen oordeel meer wordt gevraagd over de gevolgen van het arrest S.A. tegen Nederland van het Hof van Justitie voor het hier bestreden besluit. In geschil is enkel nog of verweerder de geloofwaardig geachte problemen vanwege de verkiezingen ten onrechte onvoldoende zwaarwegend heeft geacht.
5.4
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser zijn gegronde vrees voor vervolging of een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM vanwege de problemen rondom de verkiezingen onvoldoende aannemelijk gemaakt heeft. Niet gebleken is namelijk dat eiser negatief in de belangstelling staat bij de Nigeriaanse autoriteiten vanwege zijn gestelde politieke activiteiten en problemen rondom de verkiezingen. Verweerder heeft in die conclusie mogen betrekken dat eiser verklaard heeft dat zijn rol binnen de partij PDP beperkt was, dat hij niet wist waar de partijnaam voor stond en dat hij na 2007 geen politieke activiteiten meer verricht heeft. Ook heeft verweerder mogen tegenwerpen dat de gestelde achtervolgingen door leden van de zittende machtspartij SARS en het stelen van de stembus en de strafrechtelijke vervolging daarvoor niet met stukken zijn onderbouwd of anderszins met argumenten geloofwaardig zijn gemaakt. Eiser heeft de gegronde vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade niet op individuele gronden aannemelijk gemaakt. De beroepsgronden slagen niet.
Ambtshalve reguliere toets
5.5
Verweerder heeft tot slot op goede gronden geconcludeerd dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier vanwege humanitaire gronden of artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft in deze procedure onvoldoende aangebracht om aan te nemen dat sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eiser in de eerste plaats het vaderschap over zijn kind op geen enkele wijze heeft aangetoond en dat verder ook niet duidelijk is of, en zo ja, op welke manier eiser invulling geeft aan het familieleven met zijn kind. Dat eiser stelt dat hij altijd heeft aangegeven dat hij een kind heeft in Nederland doet daaraan niet af.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de asielaanvraag van eiser op goede gronden heeft kunnen afwijzen.
7. Nu met deze uitspraak op het beroep wordt beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraken zijn gedaan door mr. drs. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met de uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is geen hoger beroep mogelijk.
Op grond van artikel 31, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Zie het arrest S.A. tegen Nederland van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 september 2023, zaaknummer C-151/22, ECLI:EU:C:2023:688.
Zie het arrest S.A. tegen Nederland van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 21 september 2023, zaaknummer C-151/22, ECLI:EU:C:2023:688.