Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-28
ECLI:NL:RBDHA:2023:18195
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,029 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/8054
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2023 in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. D.J. Ladrak),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. M.A. Bakker).
Procesverloop
De rechtbank heeft op 21 december 2020 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 18 november 2020 (dit was het bestreden besluit). Hierna zijn de beroepsgronden ingediend en is een verweerschrift toegezonden.
De rechtbank heeft eerst een psychiater en daarna een verzekeringsarts als deskundige benoemd voor het instellen van een medisch onderzoek. Beide deskundigen hebben apart een rapport uitgebracht. Eiser en verweerder hebben op het rapport van de psychiater gereageerd.
Verweerder heeft op 12 oktober 2023 een gewijzigd besluit genomen waarin aan eiser is tegemoetgekomen. Eiser heeft vanaf 12 maart 2020 recht op een WIA-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Op 31 oktober 2023 heeft eiser het beroep ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten.
Verweerder heeft op 2 november 2023 op het verzoek gereageerd.
Overwegingen
1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Niet in geschil is dat verweerder is tegemoet gekomen aan het beroep van eiser.
3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.255,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 0,5 punt voor de schriftelijke zienswijze na het verslag van het eerste deskundigenonderzoek, met een waarde per punt van € 837,- met een wegingsfactor 1).
Ook de kosten die eiser gemaakt heeft in bezwaar komen voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank verwijst in dit verband naar het herziene besluit waarin verweerder heeft aangegeven dat die kosten tot een bedrag van € 1.194,- aan eiser zullen worden vergoed. Nu verweerder de proceskosten in bezwaar zal vergoeden, hoeft de rechtbank verweerder daarin niet te veroordelen.
4. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door eiser betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden. Eiser zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.255,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van
S.J.W. Stort, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.