Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-09-22
ECLI:NL:RBDHA:2023:18122
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,003 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/3061
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
Secretaris van de Raad van State, verweerder
(gemachtigde: N.N. Bontje).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder op het verzoek van eiser om documenten openbaar te maken op grond van de Wet open overheid (Woo).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 21 oktober 2022 (het primaire besluit) gedeeltelijk afgewezen.
1.2.
Bij besluit van 21 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
1.3.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.4.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 5 september 2023 via beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser was hierbij aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door mevrouw Horsman van de Raad van State.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft bij brief van 15 augustus 2022 een Woo-verzoek gedaan, waarbij hij onder meer heeft verzocht om openbaarmaking van het openbare volmachtregister van de Raad van State.
2.1.
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat hij niet over dit document beschikt en artikel 4.2, tweede lid, Woo een bestuursorgaan niet verplicht een document te vervaardigen waarover hij niet beschikt, maar wel zou moeten beschikken.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser voert – kort samengevat – aan dat artikel 4.2, tweede lid, Woo wel aan verweerder de verplichting geeft om het openbare volmachtregister te vervaardigen. Nu de woorden ‘op enig wettelijk voorschrift’ zijn toegevoegd aan de formulering van het artikel, reikt de norm verder dan de oude Wob-jurisprudentie.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Procesbelang
4. De rechtbank stelt met verweerder vast dat het beroepschrift voornamelijk is toegespitst op een door eiser opgeworpen principiële rechtsvraag. Nu eiser in zijn beroepschrift, als ook ter zitting, heeft aangegeven dat zijn beroep ook is gericht op het alsnog openbaar maken van het openbare volmachtregister, hetgeen ook uit zijn initiële verzoek van 15 augustus 2022 volgt, ziet de rechtbank hierin voldoende aanleiding om procesbelang aan te nemen. Het beroep is dan ook ontvankelijk.
Uitleg van artikel 4.2, tweede lid, Woo
5. De rechtbank stelt vast dat in beroep enkel nog in geschil is het verzoek om openbaarmaking van het openbare volmachtregister.
5.1.
Uit artikel 4.2, tweede lid, Woo volgt dat als een Woo-verzoek betrekking heeft op informatie die op grond van enig wettelijk voorschrift bij het bestuursorgaan had behoren te berusten, het bestuursorgaan de gevraagde informatie vordert van degene die over de informatie beschikt. Degene die over de gevraagde informatie beschikt, verstrekt deze per omgaande aan het bestuursorgaan.
5.2.
De rechtbank overweegt allereerst dat volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter de Wob, de voorganger van de Woo, geen verplichting bevat om gegevens te vervaardigen die niet in bestaande documenten zijn neergelegd, ongeacht de mate van inspanning. De Wob gaat alleen over de vraag of al bestaande documenten, die bij een bestuursorgaan berusten of behoren te berusten, openbaar moeten worden gemaakt.
5.3.
De stelling van eiser dat artikel 4.2, tweede lid, Woo verder zou gaan dan de Wob, in die zin dat het ook de verplichting omvat om informatie vervaardigen, mist naar het oordeel van de rechtbank feitelijke grondslag en volgt evenmin uit de tekst van de totstandkomingsgeschiedenis. Uit de formulering van de Woo kan worden afgeleid dat het enkel gaat om documenten of stukken die al bestaan. Zo is het begrip publieke informatie in artikel 2.1, Woo gedefinieerd als informatie neergelegd in documenten. Ook bij de openbaarmakingsplicht zoals neergelegd in artikel 3.3, Woo gaat het om informatie neergelegd in documenten, wat betekent dat deze plicht enkel ziet op bestaande documenten.
5.4.
In de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 4.2, tweede lid, Woo is toegelicht dat met deze bepaling de onder de Wob gewezen jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter is gecodificeerd, die inhoudt dat van een bestuursorgaan mag worden verwacht dat het een inspanning verricht om documenten te achterhalen die niet bij het bestuursorgaan berusten, maar daar wel hadden moeten berusten. Uit de term achterhalen volgt dat het gaat om een vorderingsplicht en hiermee om informatie die als zodanig al bestaat. De rechtbank ziet geen aanleiding om artikel 4.2, tweede lid, Woo anders uit te leggen door de toevoeging van de woorden wettelijk voorschrift. De term wettelijk voorschrift ziet volgens de totstandkomingsgeschiedenis op de verplichting om informatie te bewaren of een verplichting van een ander orgaan om bepaalde informatie verstrekken aan de overheid. In de uitspraak die de totstandkomingsgeschiedenis als voorbeeld geeft ging het om stukken die volgens de archiefwet 1995 onder het bestuursorgaan hadden moeten berusten. In onderhavig geval beschikt verweerder niet over de gevraagde informatie.
Dat hiermee een wettelijke voorschrift tot het vergaren van informatie niet wordt nageleefd, kan niet worden hersteld door de Woo. Daar staan eiser andere wegen voor open.
5.5.
Gelet op het voorgaande volgt uit artikel 4.2, tweede lid, Woo niet de verplichting om naar aanleiding van een verzoek documenten te vervaardigen.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M. van den Berg, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Als bedoeld in artikel 4 Regeling financieel beheer van het Rijk.
Wet openbaar bestuur.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:466.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:781, rechtsoverweging 6.2.
Kamerstukken II 2013/14, 33 328, nr. 9, p. 77.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO1189.