Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-17
ECLI:NL:RBDHA:2023:18032
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,460 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.35031
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser
V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. F. van de Kamp).
Procesverloop
Verweerder heeft op 14 augustus 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 7 november 2023 de maatregel van bewaring opgeheven.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft op 13 november 2023 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Afghaanse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 augustus 2023 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, 23 augustus 2023, het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is geweest.
4. Eisers gemachtigde voert aan dat ter zitting al naar voren is gekomen dat eiser suïcidaal is. Eiser is in detentie geplaatst op een afdeling waar hij extra in de gaten gehouden kon worden. Nadat verweerder inzage had gekregen in de medische stukken van eiser is hij niet veel later in vrijheid gesteld. De vraag is of eiser al die tijd terecht in bewaring heeft gezeten. Daarnaast vindt eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, omdat niet voldoende duidelijk was wat de stand van zaken is in het kader van de overdracht aan Frankrijk en of er al een reactie is gekomen op het verzoek om eiser terug te nemen. Er is daarom ook geen zicht op uitzetting.
5. Uit de door verweerder overgelegde stukken blijkt dat de terugnameclaim van 16 augustus 2023 op 23 augustus 2023 door de Franse autoriteiten is afgewezen, omdat zij aan eiser op 29 juni 2018 subsidiaire bescherming hebben verleend. Omdat de Franse autoriteiten daarbij eveneens hebben meegedeeld dat de bescherming feitelijk is opgehouden per 11 april 2023, heeft verweerder bij brief van 28 augustus 2023 aan hen verzocht om toe te lichten of zij aan eiser een verblijfsvergunning hebben verleend en of eiser opnieuw zal worden toegelaten tot Frankrijk. Uit de voortgangsrapportage en het verweerschrift blijkt verder dat verweerder hierover op 11 september 2023 een rappel heeft verzonden naar de Franse autoriteiten. Daarnaast zijn op vertrekgesprekken gevoerd met eiser. Op 6 november 2023 hebben de Franse autoriteiten aan Nederland laten weten dat zij eiser niet zullen terugnemen. De bewaring is vervolgens op 7 november 2023 opgeheven. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende voortvarend heeft gehandeld.
6. Gedurende de periode van bewaring tot aan de reactie van de Franse autoriteiten van 6 november 2023 en gelet op de Eurodac-registratie van eiser in Frankrijk, bestond er een concreet aanknopingspunt dat eiser mogelijk zou kunnen worden overgedragen aan Frankrijk.
7. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om alsnog te volstaan met een lichter middel in verband met de (psychische) gezondheidstoestand van eiser. Uit de stukken blijkt dat eiser in detentie afgezonderd is geweest ter observatie en dat hij daarna op een extra zorgafdeling is geplaatst. Daarbij heeft hij gesprekken gehad met een psycholoog. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat eiser detentieongeschikt was of dat de detentie voor hem onevenredig bezwarend is geweest. Eiser heeft hier ook geen verdere onderbouwing voor gegeven.
8. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Vreemdelingenwet 2000.
Op grond van artikel 94, zevende lid, van de Vw.