Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-22
ECLI:NL:RBDHA:2023:17961
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,302 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.24683
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
van Iraanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.J.M. Nijholt),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van verweerder van 17 augustus 2023, waarbij verweerder aan eiser heeft medegedeeld dat zijn recht op tijdelijke bescherming, als bedoeld in Richtlijn 2001/55/EG (de Richtlijn) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 (het Uitvoeringsbesluit), eindigt op 4 september 2023.
1.1.
Op 3 juli 2023 heeft verweerder zijn voornemen kenbaar gemaakt om de tijdelijke bescherming van eiser op 4 september 2023 te beëindigen. Eiser heeft zijn zienswijze ingebracht. Verder is het bestreden besluit genomen, waartegen het beroep zich richt.
1.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 november 2023 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de beëindiging van de tijdelijke bescherming aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Eiser heeft primair gesteld dat hij niet behoort tot de doelgroep waarvoor de tijdelijke bescherming beëindigd kan worden. Volgens eiser is het waarschijnlijk dat hij in Oekraïne een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd bij zijn echtgenote had. Deze stelling is op generlei wijze onderbouwd. Daar komt bij dat eiser een in februari 2022 afgegeven tijdelijke verblijfsvergunning heeft overgelegd (met een einddatum in december 2022). Eiser heeft met de door hem gegeven onderbouwing dan ook niet aannemelijk gemaakt te behoren tot een groep voor wie niet is aangekondigd de tijdelijke bescherming per 4 september 2023 te beëindigen.
4. Bij uitspraak van 30 oktober 2023 heeft deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat verweerder bevoegd was de tijdelijke bescherming voor de groep die is aangeduid als facultatieve groep te beëindigen. Er is geen aanleiding gezien prejudiciële vragen te stellen (ECLI:NL:RBDHA:2023:16291). Wat eiser daartegen in deze zaak heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
5. Eiser is in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze te geven over het (voorgenomen) besluit. Onder verwijzing naar de hiervoor onder 4. genoemde uitspraak (rechtsoverweging 7.2.) is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft kunnen afzien van een individueel gehoor.
6. Op de zitting heeft eiser zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Daarbij is gewezen op het werk wat eiser in Nederland heeft. Eerder is een arbeidsovereenkomst overgelegd, waarin is vermeld dat deze begin december 2023 van rechtswege eindigt. Ook is gewezen op het arrest van het Hof van Justitie van 4 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:117 (Chakroun). Verder is in de gronden gesteld dat eiser asiel heeft aangevraagd, dat hij vervolgens is overgeplaatst en dat hij er financieel en qua woonruimte op achteruit is gegaan. De schade dient volgens hem door verweerder te worden vergoed.
De rechtbank ziet in hetgeen door eiser naar voren is gebracht geen grond voor het oordeel dat verweerder geen gebruik kon maken van de bevoegdheid de tijdelijke bescherming te beëindigen. De rechtbank ziet evenmin grondslag om in onderhavige procedure een schadevergoeding toe te kennen vanwege een overplaatsing ten behoeve van behandeling van zijn asielaanvraag.
7. Eiser heeft verzocht om aanhouding dan wel schorsing van het onderzoek ter zitting tot het moment dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak doet in een soortgelijke zaak. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak bekend is gemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.