Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-12
ECLI:NL:RBDHA:2023:17869
Civiel recht
Wraking
1,901 tokens
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] (Spanje),
correspondentieadres: [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. E.A.W. Schippers,
kantonrechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de kantonrechter.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 3 mei 2023;
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 8 mei 2023;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 23 mei 2023.
1.2.
Op 5 juni 2023 is het verzoek tot wraking ter zitting behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- verzoeker;
- de kantonrechter;
- [rechthebbende] , rechthebbende in de hoofdzaak (hierna: de rechthebbende), als toehoorder in de wrakingsprocedure;
- [belanghebbende] , belanghebbende in de hoofdzaak (hierna: de bewindvoerder), als toehoorder in de wrakingsprocedure.
2Het wrakingsverzoek
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de kantonrechter in de zaak met de nummers 10179509 EJ VERZ 22-85113 en 10179512 EJ VERZ 22-85114. In voornoemde zaak heeft verzoeker verzocht de bewindvoerder (tevens mentor) van zijn zoon te ontslaan en verzoeker tot de nieuwe bewindvoerder en mentor over de rechthebbende te benoemen. In deze procedure heeft op 3 mei 2023 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Na deze mondelinge behandeling heeft verzoeker bij e-mailbericht van 8 mei 2023 de kantonrechter gewraakt.
2.2.
Verzoeker heeft blijkens het schriftelijke verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.
a. De wijze van begroeting aan het begin van de mondelinge behandeling gaf verzoeker de indruk dat de kantonrechter de bewindvoerder hoog had zitten.
b. Verzoeker is het niet eens met de aanpak van de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling. De kantonrechter was kritisch naar verzoeker maar de bewindvoerder hoefde op geen enkel moment verantwoording af te leggen. Kritische vragen die volgens verzoeker van belang zijn, werden niet door de kantonrechter aan de bewindvoerder gesteld.
c. De rechthebbende werd onvoldoende door de kantonrechter gehoord over de relevante punten en kon daarom niet duidelijk maken wat hij wilde.
2.3.
De kantonrechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.
Beoordeling
3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
Wrakingsgrond a.
3.2.
De kantonrechter heeft in haar schriftelijke reactie en in haar toelichting tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij bij aanvang van de mondelinge behandeling heeft geïnventariseerd welke procesdeelnemers ter zitting waren verschenen. Omdat zij de bewindvoerder ambtshalve kent van andere zaken heeft zij dit aan de andere aanwezigen meegedeeld. De wrakingskamer overweegt dat het gebruikelijk is dat een rechter bij de aanvang van een zitting inventariseert welke procesdeelnemers zijn verschenen en dat in het kader van de transparantie zo nodig wordt medegedeeld dat de rechter een van de procesdeelnemers reeds ambtshave kent van andere zaken. Niet is gebleken dat dit op een zodanige (amicale) wijze is gebeurd dat hieruit (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid van de kantonrechter kan worden afgeleid.
3.3.
Wrakingsgrond a. kan niet tot toewijzing van het wrakingsverzoek leiden.
Wrakingsgrond b.
3.4.
Deze wrakingsgrond betreft handelingen die liggen binnen de regievoerende taak van de kantonrechter. Dergelijke handelingen kunnen in beginsel geen grond voor wraking opleveren. Dit is uitsluitend anders indien de handelingen van de kantonrechter, in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten, niet anders kunnen worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid. Dat van zo’n situatie sprake is, is niet gebleken. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 mei 2023 blijkt dat alle partijen (uitvoerig) aan het woord zijn geweest. Dat de kantonrechter daarbij kritischer naar verzoeker is geweest dan naar andere betrokkenen, is de wrakingskamer niet gebleken. Ook kan het enkele feit dat de kantonrechter aan de bewindvoerder niet de vragen heeft gesteld die naar de mening van verzoeker relevant zijn, niet tot een gegronde wraking leiden. Het is aan de kantonrechter om te bepalen welke vragen zij relevant acht voor de te nemen beslissingen. Concrete feiten en omstandigheden voor (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid van de kantonrechter zijn niet gebleken.
3.5.
Wrakingsgrond b. kan niet tot toewijzing van het wrakingsverzoek leiden.
Wrakingsgrond c.
3.6.
Deze wrakingsgrond mist feitelijke grondslag. Uit het proces-verbaal van de mondelingen behandeling van 3 mei 2023 blijkt dat de rechthebbende is gehoord en dat de kantonrechter naar de mening van de rechthebbende heeft gevraagd. Voor zover hierbij volgens verzoeker niet de juiste vragen zijn gesteld, geldt hetzelfde als daarover hiervoor onder 3.4. is overwogen.
3.7.
Wrakingsgrond c. kan niet tot toewijzing van het wrakingsverzoek leiden.
Conclusie
3.8.
Gelet op het voorgaande wordt het wrakingsverzoek afgewezen. Van vooringenomenheid van de kantonrechter of schijn van partijdigheid is naar het oordeel van de wrakingskamer niet gebleken.
Dictum
De wrakingskamer:
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
4.3.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• verzoeker;
• de kantonrechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C. Sluymer, D. Biever en S.E. Postema, in tegenwoordigheid van de griffier W.H. Ng en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2023.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.