Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-01
ECLI:NL:RBDHA:2023:17764
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,046 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.30318, NL23.30323, NL23.30324 en NL23.30326
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , mede namens haar minderjarige kinderen
[minderjarige 1]
, V-nummer: [V-nummer] , [minderjarige 2], V-nummer: [V-nummer] , [minderjarige 3], V-nummer: [V-nummer] gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. B.A. Palm), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. S. Faddach).
Inleiding
Op 21 september 2023 heeft verweerder eisers in vreemdelingenbewaring (hierna: bewaring) gesteld, op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eisers zijn het hier niet mee eens en hebben beroep ingesteld. De beroepen worden ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Op 26 september 2023 heeft verweerder de maatregelen van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 3 oktober 2023 op zitting behandeld. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de bewaring van eisers rechtmatig was.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eisers schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregelen van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eisers een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
De gronden van de maatregelen van bewaring
2. In de maatregelen van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregelen vorderde, omdat het risico bestond dat eisers zich aan het toezicht zouden onttrekken en eisers de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweken of belemmerden. Verweerder moet dit motiveren aan de hand van de gronden in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eisers:
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging hebben ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg hebben gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerken aan het vaststellen van hun identiteit en nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak hebben ontdaan van hun reis- of identiteitsdocumenten;
3i. te kennen hebben gegeven dat zij geen gevolg zullen geven aan hun verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eisers:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hen geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb hebben gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning hebben ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats hebben;
4d. niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eisers de gronden die aan de maatregelen van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet hebben betwist. De rechtbank is van oordeel dat de gronden en de motivering daarvan de maatregelen van bewaring konden dragen.
Lichter middel
4. Eisers voeren aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de maatregelen van bewaring. Dit gelet op de belangen van de kinderen, en omdat hun hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) nog liep.
5. De rechtbank oordeelt als volgt. Het instellen van hoger beroep bij de Afdeling heeft geen schorsende werking. Dit betekent dat eisers mochten worden uitgezet, ook al hadden ze hoger beroep ingesteld. Verweerder hoefde dus niet te wachten met de inbewaringstelling tot op het hoger beroep was beslist. Verder is in de maatregelen van bewaring een verzwaarde belangenafweging gemaakt voor de kinderen. Daarbij is verweerder onder meer ingegaan op de omstandigheden dat de kinderen Nederlands spreken en hier naar school gaan. Verweerder heeft toegelicht dat een lichter middel niet afdoende zou zijn geweest, onder andere omdat vertrekgesprekken, een meldplicht en plaatsing op een gezinslocatie niet hebben geleid tot vertrek van het gezin naar Marokko. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet kon worden volstaan met een lichter middel. De beroepsgrond slaagt niet.
Opheffing van de maatregelen van bewaring
6. Eisers voeren aan dat verweerder de maatregelen van bewaring eerder had moeten opheffen. De voorlopige voorziening van de Afdeling is namelijk op 25 september 2023 al gefaxt naar verweerder.
7. De beroepsgrond slaagt. Op 25 september 2023 heeft de Afdeling een voorlopige voorziening getroffen, inhoudende dat eisers niet mochten worden uitgezet tot op het hoger beroep was beslist. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting betoogd dat de voorlopige voorziening pas op 26 september 2023 in het digitale dossier aan partijen ter beschikking is gesteld. De maatregelen van bewaring hoefden daarom niet eerder te worden opgeheven. De rechtbank volgt dit betoog niet. Uit het dossier blijkt dat de voorlopige voorziening op 25 september 2023 om 9:51 uur is gefaxt naar verweerder. Daarmee was duidelijk voor verweerder dat de maatregelen van bewaring moesten worden opgeheven. Het uitgangspunt is dat dit zo snel mogelijk gebeurt. Verweerder had de maatregelen van bewaring dus op 25 september 2023 moeten opheffen en heeft dit één dag te laat gedaan.
Conclusie
8. Het beroep is gegrond en de maatregelen van bewaring waren met ingang van 25 september 2023 onrechtmatig.
9. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor de onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 2 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 200,-.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eisers een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Dictum
De rechtbank:
verklaart de beroepen gegrond;
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eisers tot een bedrag van € 200,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.674,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
01 november 2023
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.