Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-16
ECLI:NL:RBDHA:2023:17684
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,204 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6268
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 oktober 2023 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
(gemachtigde: R. de Roy van Zuydewijn en Z. Kahveci).
Zitting
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: Eiser en de gemachtigden van verweerder.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de voorzieningenrechter hierna onder de beslissing.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek verweerder op te dragen verzoeker een tijdelijk gemeentelijk briefadres toe te kennen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Op 13 juni 2023 heeft verzoeker verweerder verzocht om aan hem een gemeentelijk briefadres toe te kennen. Dit verzoek is bij besluit van 19 september 2023 buiten behandeling gesteld omdat verzoeker bij zijn aanvraag niet zijn verblijfadres(sen) heeft vermeld, zodat de aanvraag onvolledig was. Verweerder heeft aangegeven dat inschrijving op een briefadres alleen kan plaatsvinden als iemand geen woonadres heeft. Het is van belang dat verzoeker zijn verblijfadres(sen) doorgeeft, omdat aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of hij daadwerkelijk niet over een woonadres beschikt. Als iemand de beschikking heeft over een woonadres maar hij zich daar niet op in kan schrijven, bijvoorbeeld omdat de eigenaar geen toestemming geeft, dan weigert verweerder de aanvraag. Het doel van de Wet Brp is immers dat de in de Basisregistratie Personen vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn, zodat de gebruiker van de gegevens erop kan vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Daarom moet worden uitgegaan van de feitelijke verblijfplaats van verzoeker. Een belangenafweging kan daarbij geen rol spelen. Nu niet is gebleken dat verzoeker feitelijk dakloos is, kan aan hem geen gemeentelijk briefadres worden toegekend.
3. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de buiten behandelingstelling van zijn aanvraag, en de voorzieningenrechter verzocht om aan hem een tijdelijk gemeentelijk briefadres toe te kennen. Verzoeker heeft aangegeven een briefadres nodig te hebben om te kunnen corresponderen met verschillende instanties, met name wat betreft zijn financiële situatie. Op 13 juli 2023 is zijn woning verkocht, en sindsdien heeft hij verblijf gehad op verschillende adressen. Het is voor hem niet mogelijk om deze adressen door te geven aan verweerder dan wel om zich daarop in te schrijven, omdat dit (financiële) gevolgen heeft voor de bewoners en zij hier niet mee instemmen. Hij wordt van het kastje naar de muur gestuurd omdat hij zich niet kan inschrijven op de adressen waar hij verblijft, en tegelijkertijd door verweerder niet als feitelijk dakloos beschouwd.
Beoordeling
4. Verweerder heeft uitvoerig uiteengezet, ook onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat er voor het verkrijgen van een briefadres geen sprake kan zijn van een woonadres in welke vorm dan ook. Omdat verzoeker zich niet in die situatie bevindt heeft zijn bezwaarschrift geen redelijke kans van slagen. Een belangenafweging is niet aan de orde. De gevraagde voorziening om de toewijzing van een tijdelijk gemeentelijk briefadres aan verzoeker, wordt daarom afgewezen.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2023 door mr. G.P. Kleijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.D.A. Mantingh, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie onder andere artikel 2.23 en 2.39 van de Wet basisregistratie personen (Wet Brp).
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van de Raad van State, van 18 maart 2015, (ECLI:NL:RVS:2015:866).
Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag, van 12 maart 2021, (ECLI:NL:RBDHA:2021:2384).