Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-10-24
ECLI:NL:RBDHA:2023:17539
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,149 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.31690
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. S. Orsel).
Procesverloop
Bij besluit van 5 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 oktober 2023 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
Eiser heeft de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring niet betwist. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring in beginsel dragen.
2. Eiser betoogt dat hij in zijn (verdedigings)belangen is geschaad doordat verweerder het proces-verbaal van het vertrekgesprek op 11 oktober 2023 en de aanbiedingsbrief niet voorafgaand aan de zitting aan het dossier heeft toegevoegd.
2.1.
Verweerder heeft ter zitting de laatste stand van zaken meegedeeld. Zo heeft eiser het vertrekgesprek op 11 oktober 2023 geweigerd en is op 6 oktober 2023 gerappelleerd bij de Franse autoriteiten. Eiser heeft ter zitting de mogelijkheid gehad om hierop te reageren. Niet is gebleken dat eiser door het eerst ter zitting bekend raken met deze informatie in zijn (verdedigings)belangen is geschaad. Bovendien is verweerder niet gehouden een aanbiedingsbrief over te leggen.
3. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B.J. van Elden, rechter, in aanwezigheid van G. de Man, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.