Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-10
ECLI:NL:RBDHA:2023:17484
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,310 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.34721
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] eiser,
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. P. Scholtes),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).
Procesverloop
Bij besluit van 31 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 november 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Baddouri. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. De rechtbank heeft in eerste instantie ambtshalve vastgesteld dat de maatregel die verweerder in het digitale systeem van de rechtspraak had geplaatst niet kon worden gevalideerd omdat daarbij de volgende melding werd verkregen: “Fout tijdens verificatie van de handtekening. Handtekening bevat onjuiste, onherkenbare, beschadigde of verdachte gegevens.” De rechtbank heeft verweerder op 7 november 2023 verzocht om de maatregel per e-mail aan de rechtbank – en gelijktijdig aan eiser – toe te zenden. Verweerder heeft hier op 7 november 2023 gehoor aan gegeven. Met behulp van de ontvangen maatregel per e-mail is het de rechtbank alsnog gelukt de handtekening in de maatregel op de voorgeschreven wijze te valideren. Hieruit is gebleken dat de maatregel van bewaring digitaal is ondertekend op 31 oktober 2023 om 14:26 uur, waarna de maatregel om 14:30 uur aan eiser is opgelegd. De rechtbank stelt vast dat de maatregel op correcte wijze is ondertekend en aan eiser is uitgereikt.
3. Eiser stelt dat verweerder dient te volstaan met het opleggen van een lichter middel wegens medische omstandigheden. Ter onderbouwing hiervan verwijst hij naar de medische stukken die ten grondslag liggen aan het BMA-advies van 26 oktober 2023. In het bijzonder wijst eiser op een brief van het [naam gasthuis] Gasthuis van 18 oktober 2023, waaruit blijkt dat eiser opgenomen is geweest in het ziekenhuis. Volgens eiser gaat het slechter met hem. Ondanks dat de formele gronden voor bewaring aanwezig zijn, is het niet in zijn belang om daar te blijven. Hij wijst daarbij op de hygiëne in het detentiecentrum en de stress die hij daar ervaart. De maatregel van bewaring is volgens eiser dan ook niet evenredig.
4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd in beroep niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is om dit risico te ondervangen.
5. Verder heeft verweerder eisers medische situatie en medicatiegebruik voldoende meegewogen. De rechtbank stelt voorop dat de medische voorzieningen in het detentiecentrum worden verondersteld vergelijkbaar te zijn met de zorg in de vrije maatschappij. Het is niet gebleken dat de medische voorzieningen in het detentiecentrum onvoldoende zijn en dat eiser is verstoken van medicatie. Verder is ook niet gebleken dat het voortduren van de maatregel van bewaring in het geval van eiser onevenredig maken. Dat de hygiëne in het detentiecentrum tekort zou schieten en dat eiser psychische klachten ervaart door stress heeft hij gesteld maar verder niet nader onderbouwd.
6. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en - in aansluiting hierop - ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.