Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-03
ECLI:NL:RBDHA:2023:17277
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,525 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.33426
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2023 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H. Drenth),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 5 juli 2023.
1.1.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 25 juli 2023. Op het eerste vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 6 september 2023.
1.2.
De staatssecretaris heeft de maatregel van bewaring opgeheven op 11 september 2023 omdat eiser is uitgezet naar Marokko.
1.3.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft na de ontvangst hiervan zijn gronden ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 27 oktober 2023 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of het voortduren van de maatregel van bewaring tot de datum van de opheffing daarvan rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. Het voortduren van de maatregel van bewaring is niet
onrechtmatig geweest. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
4. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. De rechtbank kan een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen als de bewaring is opgeheven vóórdat de zitting heeft plaatsgevonden. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
5. Uit de uitspraak van 6 september 2023 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 1 september 2023) tot het moment van opheffing (11 september 2023) van de bewaring rechtmatig was.
Heeft de staatssecretaris in strijd gehandeld met het evenredigheidsbeginsel?
6. Eiser voert aan dat de staatssecretaris geen evenredige belangenafweging heeft gemaakt. Eiser stelt dat de opheffing van de maatregel niet eerder kenbaar is gemaakt dan in deze zaak. Mede gelet daarom kan, volgens eiser, worden aangenomen dat een voortduring van de maatregel van bewaring indruist tegen het evenredigheidsbeginsel en dat deze niet langer proportioneel is. Het belang van de staatssecretaris weegt niet op tegen de persoonlijke belangen van eiser om in vrijheid te worden gesteld. Tijdens het laatste vertrekgesprek heeft eiser zich welwillend opgesteld om zijn medewerking te verlenen aan zijn terugkeer en heeft zich kennelijk berust in het feit dat hij werd uitgezet. Volgens eiser had de staatssecretaris daarom kunnen volstaan met het opleggen van een lichter middel.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Dat de maatregel van bewaring indruist tegen het evenredigheidsbeginsel en dat deze niet langer proportioneel was volgt de rechtbank niet. Gelet op de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, mocht de staatssecretaris stellen dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Het onttrekkingsrisico bij het opleggen van een lichter middel in plaats van een inbewaringstelling was volgens de staatssecretaris te groot. Daarom hoefde de staatssecretaris, naar het oordeel van de rechtbank, het risico niet te nemen dat eiser niet beschikbaar zou zijn op het moment dat de feitelijke terugkeer kon plaatsvinden. De enkele verklaringen van eiser dat hij wil meewerken aan zijn overdracht doet niet af aan het onttrekkingsrisico dat uit de gronden volgt. Ook de stelling dat voor de gemachtigde niet kenbaar was dat de bewaring reeds is opgeheven, doet niet af aan de rechtmatigheid van die bewaring tot het moment van opheffing.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het voortduren van de inbewaringstelling van eiser tot de datum van opheffing rechtmatig was en de staatssecretaris geen schadevergoeding aan eiser hoeft te betalen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 25 juli 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:11393.
Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 6 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:13718.
Dit staat in artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.