Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-08
ECLI:NL:RBDHA:2023:16819
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening+bodemzaak
2,960 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL23.16804 en NL23.16805
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser/verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M.H. van der Linden),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. C. Wesenbeek).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 juni 2023 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 4 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft enkel de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Op 3 mei 2022 heeft eiser asiel aangevraagd. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 12 augustus 2015 in Zwitserland, op 16 december 2015 in Duitsland, op 2 augustus 2015 in Luxemburg, op 6 oktober 2016 nogmaals in Duitsland en op 16 april 2021 in Frankrijk asiel heeft aangevraagd. Op 17 juni 2022 heeft verweerder Frankrijk verzocht om eiser terug te nemen. Omdat de Franse autoriteiten niet binnen de genoemde termijn van twee weken het verzoek hebben geaccepteerd staat daarmee sinds 2 juli 2022 de verantwoordelijkheid van Frankrijk voor de asielaanvraag van eiser vast. Op 4 juli 2022 heeft Frankrijk het fictieve akkoord bevestigd met een expliciet akkoord. Uit informatie van het COA en de AVIM is gebleken dat eiser op 26 augustus 2022 met onbekende bestemming is vertrokken. Verweerder heeft de Franse autoriteiten daarom op 17 oktober 2022 geïnformeerd over de verdwijning van eiser en dat de overdrachtstermijn is verlengd tot achttien maanden Op 16 februari 2023 heeft eiser zich weer gemeld bij verweerder voor opvang. In het besluit van 8 juni 2023 heeft verweerder de aanvraag niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Waarom is eiser het niet eens met het bestreden besluit?
3. Eiser verzoekt allereerst om de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht wat de uitkomst is van de asielaanvragen die eiser eerder heeft gedaan in Zwitserland, Duitsland en Luxemburg. Dat Frankrijk het claimakkoord heeft geaccepteerd betekent niet dat een andere lidstaat niet verantwoordelijk kan zijn voor de asielaanvraag van eiser. Daarnaast is de overdrachtstermijn ten onrechte door verweerder verlengd nadat het COA had gemeld dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. Eiser was niet op de hoogte van de periode die hij afwezig mocht zijn van de opvangvoorziening en is voor 4 à 5 dagen naar Rotterdam gegaan. Bij terugkomst is hem toegang tot de opvangvoorziening geweigerd. Daarnaast kan eiser niet verweten worden dat hij een paar dagen afwezig was omdat hij psychische problemen heeft die invloed hebben op de beslissingen die hij neemt. Bovendien kan verweerder voor Frankrijk niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan. Eiser heeft in Frankrijk op straat geleefd omdat er geen huisvesting beschikbaar was. Uit een artikel op de website van Wynia’s Week van 3 september 2022 volgt dat het lang duurt voordat de eerste afspraak bij de vreemdelingenpolitie plaatsvindt en dat er niet voldoende opvangplekken zijn. Bij terugkeer naar Frankrijk loopt eiser daarom een risico op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. Op 8 mei 2023 stond eiser onder toezicht van de crisisdienst omdat hij in een psychose zat. Vanwege de psychische problemen bestaat er voor eiser een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand bij een overdracht aan Frankrijk. Andere aanwijzingen dat dit risico bestaat volgen uit het meest recente AIDA-rapport waarin staat dat Frankrijk bij de behandeling van de asielprocedure vaak geen rekening houdt met medische stukken, dat het voor alleenstaande mannen vaak lastig is om opvang te krijgen en dat het voor asielzoekers moeilijk is om toegang te krijgen tot psychiaters. Verweerder moet daarom nader onderzoek verrichten naar de gevolgen van een overdracht aan Frankrijk voor de gezondheidstoestand van eiser door een BMA-advies op te vragen. Daarnaast had verweerder in de geschetste situatie in Frankrijk en de gezondheidstoestand van eiser bijzondere individuele omstandigheden moeten zien die ertoe leiden dat een overdracht getuigt van onevenredige hardheid. Eiser heeft namelijk in Frankrijk geen medische behandeling gekregen. Omdat hij in Nederland wel medisch is behandeld is Nederland het meest aangewezen land voor behandeling.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Verzoek om zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen.
4. Verweerder is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op hetgeen eiser in de zienswijze heeft aangevoerd. Voor zover hij in beroep niet heeft geconcretiseerd op welke punten de motivering van het bestreden besluit ontoereikend is, kan de enkele herhaling van de zienswijze in beroep niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal daarom alleen ingaan op de aanvullende gronden die door eiser zijn aangevoerd.
Verantwoordelijkheid Frankrijk
5. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 16 april 2021 asiel heeft aangevraagd in Frankrijk. Op 4 juli 2022 heeft Frankrijk het fictieve akkoord op het terugnameverzoek van verweerder bevestigd. Hiermee is de verantwoordelijkheid van Frankrijk vast komen te staan. In de verklaringen van eiser heeft verweerder ook geen aanleiding hoeven zien om te concluderen dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser. De rechtbank volgt het standpunt van eiser daarom niet dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht wat de status is van de asielaanvragen die eiser eerder in andere lidstaten heeft gedaan. Eiser kan ook niet tegenwerpen dat de overdrachtstermijn ten onrechte verlengd is omdat hij niet wist hoe lang hij weg mocht blijven van de opvangvoorziening en niet de intentie had om met onbekende bestemming te vertrekken. In dat kader heeft verweerder erop mogen wijzen dat eiser door zijn asielaanvraag te ondertekenen heeft verklaard bekend te zijn met de verplichting om zijn of haar woon- of verblijfplaats en adres zo spoedig mogelijk door te geven. Dit wordt ook benadrukt in het gesprek dat het COA met de vreemdeling voert bij instroom in de opvangvoorziening. Eiser kan dan ook niet tegenwerpen dat hij niet wist hoe lang hij buiten de opvang mocht verblijven. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij op dat moment al te maken had met psychische problemen en dat die van dusdanige ernst waren dat hem niet verweten kan worden dat hij voor een langere periode afwezig was. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat hij zich na vier à vijf dagen heeft gemeld en dat hij opgenomen is geweest in het ziekenhuis. Gelet op het voorgaande heeft verweerder mogen concluderen dat de overdrachtstermijn is verlengd en dat de verantwoordelijkheid van Frankrijk daarmee nog steeds vaststaat.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in beginsel van uitgaan dat Frankrijk zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet zo is.
7. Verweerder mag ervan uitgaan dat Frankrijk het huidige verzoek om internationale bescherming van eiser zal behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Met het claimakkoord heeft Frankrijk aangegeven het asielrelaas van eiser in behandeling te nemen. Uit de meest recente versie van het AIDA-rapport kan weliswaar worden opgemaakt dat er problemen zijn (geweest) met de opvang in Frankrijk maar niet is gebleken dat die problemen dermate structureel en ernstig van aard zijn, dat bij overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest of artikel 3 van het EVRM. Voor zover eiser meent dat hij toch problemen zal ondervinden dan kan hij hierover klagen bij de Franse autoriteiten. Eiser heeft niet nader onderbouwd dat dit voor hem niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
8. De rechtbank overweegt als volgt ten aanzien van de medische omstandigheden die eiser heeft aangevoerd. Het uitgangspunt is dat verweerder ervan uit mag gaan dat in de verantwoordelijke lidstaat de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en ook ter beschikking staan van Dublinclaimanten. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt in zijn geval niet opgaat.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond.
12. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
Dictum
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.
Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.
Centraal Opvangorgaan asielzoekers.
Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening.
Zie het artikel ‘Heel gewoon in Frankrijk: Asielzoekers op straat’ op de website van Wynia’s Week 3 september 2022.
Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Zie het AIDA Country Report: France 2022 Update op pagina 83.
ibidem op pagina 103.
ibidem op pagina 113.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1256, en 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2940.
Zie de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam van 10 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12517.
Zie pagina 1 van het rapport van het aanmeldgehoor.
Zie het arrest van het HvJEU van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2980.