Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-11-08
ECLI:NL:RBDHA:2023:16568
Civiel recht; Goederenrecht
Bodemzaak
4,220 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/624592 / HA ZA 22 -122
Vonnis van 8 november 2023
in de zaak van
[eiseres]
, [woonplaats 1] ,
eiseres,
advocaat mr. F.B.M. Groos te Vijfhuizen,
tegen
[gedaagde]
, te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
advocaat mr. C.M.X.C.R. Olie-Janssen te Rotterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 29 oktober 2021, met producties;
de conclusie van antwoord, met producties;
het tussenvonnis van 9 november 2022, waarbij een plaatsopneming is bevolen;
het proces-verbaal van de plaatsopneming van 17 januari 2023;
- de mondelinge behandeling van 17 januari 2023, waarbij partijen - mede naar aanleiding van vragen van de rechtbank - hun standpunten toegelicht. De aantekeningen die de griffier heeft gemaakt tijdens de mondelinge behandeling bevinden zich in het procesdossier;
- de akte uitlaten van [eiseres] van 2 augustus 2023, met 2 producties;
- de akte uitlaten van [gedaagde] van 2 augustus 2023, met één productie;
- de antwoordakte van [eiseres] van 30 augustus 2023, met twee foto’s;
- de antwoordakte van [gedaagde] van 30 augustus 2023;
- de akte uitlaten producties van [gedaagde] van 13 september 2023.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[eiseres] is sinds 2010 de eigenaresse van de woning (een appartementsrecht|) aan de [adres 1] [huisnummer 1] te [plaats] (hierna: het appartement). De [adres 1] is een straat met aaneengeschakelde (monumentale) huizen van enkele verdiepingen hoog.
2.2.
Het appartement, dat vijf kamers heeft met de entrée op de beletage, heeft uitsluitend aan de voor- en achterzijde ramen. De bijbehorende tuin van het appartement is gelegen aan het souterrain aan de achterzijde en is zuidoostelijk gericht. [eiseres] verhuurt het appartement.
2.3.
[gedaagde] is sinds 2011 de eigenaar van het perceel met vrijstaande woning, gelegen aan de [adres 2] [huisnummer 2] te [plaats] . De noordwestzijde van het perceel (de tuin) grenst aan vier achtertuinen van woningen aan de [adres 1] , waaronder de achtertuin van het appartement van [eiseres] . Tussen de percelen van partijen staat een houten schutting met een hoogte van twee à tweeëneenhalve meter.
2.4.
In de achtertuin van [gedaagde] , nabij de houten schutting, staat een coniferenhaag (Supressocyparis Leilandii) De coniferen zijn thans ongeveer 13 tot 15 meter hoog. De takken van deze bomen hangen gedeeltelijk over de hiervoor bedoelde schutting.
2.5.
In mei 2020 heeft [eiseres] aan [gedaagde] verzocht om de coniferen in hoogte terug te snoeien tot maximaal 2,5 meter en de overhangende takken af te zagen.
2.6.
Hierop heeft [gedaagde] in de zomer 2020 de coniferen in de breedte teruggesnoeid.
2.7.
In overleg tussen partijen heeft de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ), verbonden aan de Bomenstichting, op 17 februari 2023 de situatie ter plaatse bekeken om te onderzoeken of de coniferen zouden kunnen worden ingekort, zonder dat deze dood gaan. Bij dit onderzoek waren aanwezig [eiseres] en de advocaat van [gedaagde] . Bij e-mail van 19 februari 2023 heeft Van [naam 1] verslag gedaan.
2.8.
In opdracht van [eiseres] heeft de heer [naam 2] (hierna: [naam 2] ), verbonden aan Pius Floris Boomverzorging, op 26 april 2023 de situatie ter plaatse bekeken en onderzocht of de coniferen zouden kunnen worden ingekort en of de zijtakken zouden kunnen worden gesnoeid. Op 4 april 2023 heeft [naam 2] hiervan rapport uitgebracht.
Geschil
3.1.
[eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I voor recht verklaart dat de hoge bomen (coniferen) op het perceel aan de [adres 2] [huisnummer 2] te [plaats] gesitueerd op of nabij de erfgrens met het perceel aan de [adres 1] [huisnummer 1] te [plaats] , jegens [eiseres] onrechtmatige hinder opleveren, doordat deze bomen een onaanvaardbare hoeveelheid dag- en zonlichtinval in de tuin en woning van [eiseres] wegnemen;
II primair:[gedaagde] veroordeelt om binnen twee maanden na betekening van het vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, de bomen op zijn erf grenzend aan dat van [eiseres] terug te (laten) snoeien tot een hoogte van maximaal zes meter, althans tot de door de rechtbank in goede justitie te bepalen hoogte, en tot die hoogte gesnoeid te houden door deze ten minste eenmaal per jaar tot die hoogte terug te snoeien en de overhangende takken te verwijderen, op straffe van een dwangsom van € 250 per dag dat [gedaagde] nalaat terug te snoeien en/of overhangende takken te verwijderen, met een maximum van € 25.000;
subsidiair:
[gedaagde] veroordeelt om [eiseres] toestemming te verlenen het perceel van [gedaagde] te (laten) betreden om de coniferenhaag voor rekening van [gedaagde] terug te laten snoeien tot een hoogte van zes meter, althans tot een door de rechtbank in goede justitie te bepalen hoogte en de overhangende takken te (laten) verwijderen en [eiseres] toestemming te verlenen om de coniferenhaag tot voornoemde hoogte te houden door eenmaal per jaar de haag terug te snoeien tot een hoogte van zes meter en overhangende takken te laten verwijderen, een en ander op straffe van een dwangsom van € 250 per dag dat [gedaagde] deze toestemming weigert met een maximum van € 25.000;
III [gedaagde] veroordeelt tot het (laten) terugsnoeien van alle takken die over de erfgrens tussen het perceel van [gedaagde] en [eiseres] hangen;
IV [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten;
V [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, met nakosten.
3.2.
Aan deze vorderingen legt [eiseres] , samengevat, het volgende ten grondslag. [gedaagde] laat na de coniferenhaag, die wintergroen is, regelmatig in hoogte te snoeien en de zijtakken te snoeien. Hiermee maakt hij inbreuk op het eigendomsrecht van [eiseres] en handelt hij in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid (artikel 5:37 juncto 6:162 BW). De ernst van de hinder bestaat uit de zeer beperkte zon- en daglichtinval in het appartement en in de tuin, die zelfs gedurende de zomermaanden donker en vochtig is, terwijl omliggende tuinen wel zon- en lichtinval hebben. Daarnaast is ook de veiligheid in het geding, omdat de coniferen(takken) bij een stevige wind heen- en weer zwiepen. In de wijk staan meer (hoge) bomen, maar veelal niet op of nabij erfgrenzen. Een coniferenhaag van 15 meter hoog is niet normaal voor de wijk. Toen [eiseres] de woning in 2010 kocht, had de haag nog een acceptabele hoogte van zes à zeven meter. Gezien de locatie en hoogte van de overhangende takken kan [eiseres] deze takken niet zonder veel kosten te maken zelf inkorten. De schade van [eiseres] bestaat naast hinder ook uit een negatief effect op de waarde van het appartement en op de huurprijs.
3.3.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
Inkorten coniferen?
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om de rechten en verplichtingen die buren tegen elkaar hebben. De vrijheid die de eigenaar van een perceel grond heeft om zijn eigendom naar eigen inzicht in te richten en te gebruiken, vindt zijn beperking in de rechten en belangen van de eigenaar van een naburig perceel. Dat recht wordt begrensd in die zin dat men buren geen onrechtmatige hinder mag toebrengen. Een eigenaar van een erf mag volgens artikel 5:37 BW niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is aan eigenaars van andere erven hinder toebrengen. De beantwoording van de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, hangt volgens vaste jurisprudentie af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid – mede gelet op de daaraan verbonden kosten – en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen.
4.2.
Uit deze maatstaf volgt dat niet iedere vorm van hinder of ondervonden overlast onrechtmatig is in de hiervoor bedoelde zin en dat niet snel mag worden aanvaard dat de aanwezigheid van een boom of meerdere bomen in een tuin onrechtmatige hinder opleveren. Voor het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, is verder van belang of degene die zich beklaagt over hinder, zich ter plaatse heeft gevestigd toen de hinder veroorzakende situatie reeds bestond. In het laatste geval zal hij eerder een zekere mate van hinder hebben te dulden.
4.3.
De omstandigheid dat [eiseres] het appartement (nu) niet zelf bewoont, brengt, anders dan [gedaagde] lijkt te betogen, niet mee dat [eiseres] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen. [eiseres] heeft immers ook als verhuurder een belang om te voorkomen dat haar huurders onrechtmatige hinder van buren ondervinden.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering strekkende tot het inkorten van de coniferen moet worden afgewezen. Dit wordt als volgt toegelicht.
4.5.
Vast staat dat de coniferen er al stonden toen [eiseres] het appartement kocht. Deze coniferen waren volgens [eiseres] destijds zes à zeven meter hoog. Zij heeft dat toen kennelijk aanvaardbaar geacht. [eiseres] heeft er rekening mee kunnen en moeten houden dat de bomen nog verder zouden uitgroeien en groenafval zouden produceren, maar heeft daarover zelf niet geklaagd tot 2020. Ten aanzien van de plaatselijke omstandigheden staat vast dat de woningen van partijen zijn gelegen aan de rand van het [het Park] , een groene wijk met monumentale bebouwing en oudere en vaak dus ook grotere bomen dan over het algemeen in recent ontwikkelde wijken. Gelet op dit een en ander heeft [eiseres] eerder een zekere mate van hinder van de coniferen te dulden. Hierbij neemt de rechtbank verder in aanmerking dat, zoals [gedaagde] onweersproken heeft aangevoerd, grote bomen een bijdrage leveren aan de vermindering van de gevolgen van klimaatverandering, een belang dat aan gewicht toeneemt.
4.6.
Met betrekking tot de mate van hinder heeft rechtbank tijdens de op 17 januari 2023 gehouden descente geconstateerd dat, zoals ook uit de overgelegde foto’s blijkt (onder meer productie 16 van [gedaagde] ), geen sprake is van een geheel ondoordringbare haag, maar van een rij bomen met zijtakken. Er valt nog daglicht door de takken van de coniferen die boven de schutting uitsteken. Daarnaast maakte het appartement, op een half bewolkte dag, niet een heel donkere indruk. Het appartement is ook niet geheel van de inval van direct zonlicht verstoken. Volgens [eiseres] valt in de zomer vanaf ongeveer 13:30 uur gedurende enige tijd de zonlicht op de achtergevel. Dat de veiligheid in het geding is en om die reden de coniferen zouden moeten worden gesnoeid, heeft [eiseres] onvoldoende onderbouwd. Zo is niet gesteld of gebleken dat de coniferen ziek zijn of andere gebreken hebben.
4.7.
Bij deze stand van zaken kan niet worden geoordeeld dat de hinder door de aanwezigheid van de coniferen met hun huidige hoogte dusdanig ernstig is dat deze als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Niet uitgesloten is dat anders moet worden geoordeeld als de coniferen nog (veel) hoger zouden uitgroeien. Nu [gedaagde] zich blijvend bereid heeft verklaard om de coniferen op hoogte te houden (punt 3.1 van de akte van 2 augustus 2023) akte gaat de rechtbank ervan uit dat hij daar uitvoering aan zal geven.
Terugsnoeien overhangende takken van de coniferen?
4.8.
Het enkele overhangen van takken op andermans erf is in beginsel onrechtmatig jegens de nabuur. Artikel 5:44 lid 1 BW geeft aan de nabuur (onafhankelijk van de plantafstand van de boom, waarvan de takken afkomstig zijn, tot aan de erfgrens) het recht om zijn buurman aan te manen de overhangende takken af te zagen tot aan de erfgrens, bij gebreke waarvan de nabuur zelf de zaag mag hanteren. Uit de parlementaire geschiedenis van dit artikel blijkt, dat het overhangen van takken op zichzelf reeds onrechtmatig is. Weliswaar is het woord “onrechtmatig” uit artikel 5:44 lid 1 BW geschrapt, maar dat is slechts gedaan “om de uitlegging uit te sluiten, dat deze regeling alleen toepasselijk zou zijn wanneer de onrechtmatige toestand van artikel 5.4.4. lid 1 [artikel 5:42, rechtbank] zich voordoet”. Artikel 5:44 BW sluit bij deze uitleg ook aan bij artikel 5:21 lid 1 BW, dat aan de eigenaar van de grond de (met uitzondering van hetgeen in de leden 2 en 3 is bepaald) exclusieve bevoegdheid geeft tot het gebruik van de ruimte boven de oppervlakte. In dat genot mag de eigenaar niet door anderen worden gestoord. De vraag of nabuur al dan niet hinder heeft van de overhangende takken is voor deze bevoegdheid van de nabuur in beginsel niet van belang. Wel geldt voor deze bevoegdheid de algemene beperking als omschreven in artikel 3:13 lid 1 BW, dat de bevoegdheid niet mag worden misbruikt. Van misbruik van bevoegdheid kan, zoals in artikel 3:13 lid 2 BW omschreven, onder meer sprake zijn indien men naar redelijkheid niet tot die uitoefening mag komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang bij uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] in beginsel de overhangende zijtakken tot op de erfgrens dient terug te snoeien (op zijn kosten).
4.9.
[gedaagde] heeft zich onder meer verweerd met een beroep op verjaring van de rechtsvordering tot opheffing van de onrechtmatige toestand (artikel 3:314 BW). De verjaringstermijn bedraagt 20 jaar (artikel 3:306 BW). Deze termijn begint met de aanvang van de dag, volgende waarop de onmiddellijke opheffing van die toestand gevorderd kan worden. Op dit punt stelt [gedaagde] dat de coniferen al meer dan 20 jaar (ongestoord) over de erfgrens hangen, maar hij heeft die – door [eiseres] betwiste – stelling niet nader met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd. Hierop strandt zijn beroep op verjaring.
4.10.
Daarnaast heeft [gedaagde] aangevoerd dat sprake is van misbruik van bevoegdheid, omdat overmatige snoei van de zijtakken de coniferen onherstelbaar zou verminken. De zijtakken die zich aan de zijde van de tuin van [eiseres] bevinden zouden dan tot bijna aan de stam moeten worden gesnoeid en daardoor niet meer uitlopen. Bovendien zou er dan sprake zijn van disbalans, omdat de zijtakken aan de zijde van de tuin van [gedaagde] gehandhaafd blijven. Ter onderbouwing van dit verweer heeft [gedaagde] verwezen naar een verklaring van zijn tuinman, ing.
Dictum
De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om, binnen twee maanden na betekening van het vonnis, de over de schutting overhangende takken van de bomen op zijn erf grenzend aan dat van [eiseres] zo ver mogelijk terug te snoeien tot in het groen, op straffe van een dwangsom van € 100 per dag dat [gedaagde] nalaat de overhangende takken terug te snoeien, met een maximum van € 10.000;
5.2.
verklaart de veroordeling uitvoerbar bij voorraad;
5.3.
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2023.
Type: 1554
HR 3 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0235.
HR 21 oktober 2005, ECLI:HR:2005:AT8823
HR 18 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2704.
Parl. Gesch. Boek 5, blz. 194